ECLI:NL:RBDHA:2025:25607

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
NL25.62782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eerste beroep bewaring en doorwerking onrechtmatigheid eerdere maatregel in vreemdelingenrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die aan eiser, een Algerijnse nationaliteit hebbende vreemdeling, was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had eerder een maatregel van bewaring opgelegd gekregen, die door de rechtbank onrechtmatig was bevonden. Eiser stelde dat de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel doorwerkte in de huidige maatregel, verwijzend naar het arrest Bouskoura van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank oordeelde dat de termijn van 48 uur voor de omzetting van de maatregel was overschreden, maar dat dit niet leidde tot de conclusie dat verweerder te kwader trouw had gehandeld. De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel van bewaring voldoende waren en dat het beroep ongegrond was. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak werd gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, en is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62782

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1986.
2. Eerder is aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw. Bij uitspraak van 30 december 2025 [1] heeft deze rechtbank en zittingsplaats deze maatregel onrechtmatig bevonden met ingang van 22 december 2025 omdat eiser na de afwijzing van zijn asielaanvraag niet langer rechtmatig verblijf heeft en verweerder niet tijdig heeft besloten tot het opleggen van de huidige maatregel.
3. Eiser stelt zich onder verwijzing naar het arrest Bouskoura (HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:868) op het standpunt dat de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel van bewaring doorwerkt in de huidige maatregel. Uit dit arrest volgt dat het systeem van grondslagwijziging binnen 48 uur zonder feitelijke invrijheidsstelling alleen toelaatbaar is onder het strikte voorbehoud van de afwezigheid van enige vorm van kwade trouw. Eiser meent dat verweerder met het oog op een nieuw op te leggen maatregel gehouden was om zodanige voorbereidingen te treffen dat een tijdige omzetting mogelijk was. Door die voorbereiding na te laten, is sprake van enige vorm van kwade trouw in de zin van het genoemde arrest.
4. Uitgangspunt is dat verweerder een termijn heeft van maximaal 48 uur voor de omzetting van een maatregel van bewaring naar een andere grondslag, zonder dat hij daarbij verplicht is om de gedetineerde vreemdeling tussentijds vrij te laten (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state van 6 mei 24, ECLI:NL:RVS:2024:1869). Verweerder heeft erkend dat deze termijn in dit geval met één dag is overschreden. De rechtbank heeft hierop geoordeeld dat het voortduren van de eerdere maatregel onrechtmatig is met ingang van 22 december 2025.
5. De rechtbank volgt niet dat verweerder ter voorbereiding van de huidige maatregel te kwader trouw zou hebben gehandeld. Uit de uitspraak van de rechtbank van 29 december 2025 volgt dat eiser één dag zonder geldige rechtsgrondslag in bewaring heeft doorgebracht. Dit is niet zo lang dat alleen al daarom zou moeten worden geconcludeerd tot de onrechtmatigheid van de huidige maatregel. Verder is van belang dat van een reële voorbereiding van een nieuw op te leggen maatregel van bewaring geen sprake kon zijn gedurende de periode waarin eiser de gelegenheid had tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Dat de 48-uurstermijn vervolgens eindigde in een weekend en dat pas op de eerstvolgende werkdag is besloten tot het opleggen van de huidige maatregel rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank ten slotte evenmin de conclusie dat moet worden gesproken van enige vorm van kwade trouw. Gelet hierop blijft het uitgangspunt overeind dat de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel niet doorwerkt.
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel staan als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. Deze zware gronden kunnen de maatregel zelfstandig dragen en daarmee is het risico op onttrekking aan toezicht gegeven.
8. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 31 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.