ECLI:NL:RBDHA:2025:25598
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewaring op grond van artikel 6, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 - ongegrond beroep en verzoek om schadevergoeding
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan de eiser op basis van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser, die een V-nummer heeft, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie, dat op 12 december 2025 is genomen. Dit beroep is tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister op 23 december 2025 een kennisgeving heeft verzonden, die gelijkgesteld wordt met een door de eiser ingesteld beroep, geregistreerd onder zaaknummer NL25.62992.
De rechtbank heeft de zaak schriftelijk behandeld, waarbij de gemachtigde van de eiser op 22 december 2025 de gronden van het beroep heeft ingediend. De rechtbank heeft op 24 december 2025 het onderzoek gesloten. In de overwegingen heeft de rechtbank uiteengezet dat de maatregel van bewaring op goede gronden is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft besloten om geen lichter middel toe te passen, ondanks de medische problemen van de eiser. De rechtbank heeft geen reden gezien om de maatregel onrechtmatig te achten en heeft het beroep ongegrond verklaard.
Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen en het beroep in de zaak met nummer NL25.62992 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep tegen het voortduren van de maatregel al eerder was beoordeeld. De uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier, en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.