ECLI:NL:RBDHA:2025:25596
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrechtelijke zaak
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de vrijheidsontneming van een eiser, die onder de Vreemdelingenwet valt. De eiser, met een V-nummer, had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij hem een vrijheidsontnemende maatregel was opgelegd op basis van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser ook een verzoek om schadevergoeding had ingediend, dat samen met het beroep werd behandeld.
De rechtbank heeft het procesverloop uiteengezet, waarbij opgemerkt werd dat de eiser op 28 november 2025 in de grensprocedure was opgenomen en dat de minister op 12 december 2025 de asielaanvraag kennelijk ongegrond had verklaard. De rechtbank heeft de argumenten van de eiser, waaronder zijn medische problemen en de omstandigheden van zijn detentie, overwogen, maar kwam tot de conclusie dat de minister op goede gronden de maatregel van bewaring had opgelegd. De rechtbank oordeelde dat de beslissing om al dan niet een lichter middel toe te passen bij de minister ligt en dat er geen reden was om de maatregel onrechtmatig te achten.
De rechtbank verklaarde het beroep van de eiser ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. Daarnaast verklaarde de rechtbank het beroep in een tweede zaak, dat voortkwam uit een kennisgeving van de minister, niet-ontvankelijk, omdat het beroep al in de eerste zaak was beoordeeld. De uitspraak werd gedaan door mr. J. Holleman, in aanwezigheid van griffier mr. J.R. Froma, en werd openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.