ECLI:NL:RBDHA:2025:25587

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
25.6256
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenzaak

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 19 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat ook als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De minister heeft de maatregel op 24 december 2025 opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bewaring niet onrechtmatig was, omdat eiser geen rechtmatig verblijf had en de gronden voor de maatregel voldoende waren gemotiveerd. De rechtbank concludeert dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser en dat er zicht op uitzetting naar Algerije was. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62560

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. L. Augustinus).

Inleiding

1. De minister heeft op 19 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 24 december 2025 opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Mr. M. Pater is verschenen als waarnemer voor de gemachtigde van eiser. Ook is er een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2.1.
In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.2.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had, omdat aan eiser op 30 december 2024 een terugkeerbesluit is opgelegd. Die beslissing staat in rechte vast. Eiser viel daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 25 maart 2020 [3] volgt dat, om de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank is van oordeel dat grond 3a feitelijk juist is. Eiser heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij met een geldig visum Nederland is ingereisd. Niet is gebleken dat eiser een ander visum dan een Turks visum heeft gehad. Daarnaast is grond 3b feitelijk juist, nu eiser driemaal met onbekende bestemming is vertrokken. Verder is ook grond 3c feitelijk juist. Eiser heeft op 30 december 2024 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen, waaraan hij geen gehoor heeft gegeven. Ook grond 3i is feitelijk juist, nu eiser te kennen heeft gegeven dat hij niet zal meewerken aan terugkeer naar Algerije.
5.2.
Ten aanzien van de lichte gronden 4b en 4c is de rechtbank van oordeel dat deze ook terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en dat de minister het risico op onttrekking aan het toezicht voldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft meerdere asielaanvragen ingediend in Nederland die niet hebben geleid tot een vergunningverlening. Daarnaast heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de lichte grond 4d behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
Lichter middel
6. De minister is terecht ervan uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de hem rustende vertrekplicht. Dit volgt uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, de plicht tot terugkeer die volgt uit de beschikking van 30 december 2024 en het feit dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
6.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkte aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de vierde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 23 december 2025, een vertrekgesprek gevoerd met eiser.
Zicht op uitzetting
8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbrak. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp [5] voor eiser te verstrekken.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was tot het moment van opheffing. [6]
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Laissez-passer.
6.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.