ECLI:NL:RBDHA:2025:25535

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.47350
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvragen door de minister van Asiel en Migratie

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eisers behandeld die hebben geklaagd over het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op hun asielaanvragen, ingediend op 15 november 2023. De minister had op 17 maart 2025 besloten de aanvragen niet in behandeling te nemen, omdat Tsjechië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Echter, de rechtbank heeft eerder, op 5 juni 2025, deze besluiten vernietigd en de minister opgedragen om binnen zestien weken nieuwe besluiten te nemen. De minister heeft deze termijn niet nageleefd, wat heeft geleid tot het indienen van beroep door de eisers. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, en legt de minister een beslistermijn van acht weken op, te rekenen vanaf de bekendmaking van deze uitspraak. Indien de minister deze termijn overschrijdt, is hij een dwangsom van € 100,- per dag verschuldigd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de eisers vergoeden, vastgesteld op € 453,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47350

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam]V-nummer: [nummer], eiser,

[naam]V-nummer: [nummer], eiseres,
Mede namens hun minderjarige kinderen:
[naam]V-nummer: [nummer],
[naam]V-nummer: [nummer]
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 15 november 2023.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
1. Eisers hebben op 15 november 2023 asiel aangevraagd. Met de besluiten van 17 maart 2025 heeft de minister de aanvragen niet in behandeling genomen, omdat Tsjechië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Met de uitspraak van 5 juni 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, de besluiten van 17 maart 2025 vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat eisers moeten worden opgenomen in de nationale procedure en heeft de minister opgedragen om binnen zestien weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op de aanvragen te nemen. [2] Dit heeft de minister niet gedaan. Vervolgens hebben eisers beroep ingesteld. Bij het niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak is een ingebrekestelling niet vereist. [3]
2. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

3. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. [4] De Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [5]
4. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21
maanden [6] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
5. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [7]
6. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de
rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. [8]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de
minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers een dwangsom verschuldigd.
8. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten
stelt de rechtbank vast op € 453,50. [9]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.
4.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
6.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
8.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
9.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.