De minister legde op 6 december 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser, die hiertegen beroep instelde en tevens een verzoek om schadevergoeding indiende. De maatregel werd op 18 december 2025 opgeheven, waarna de rechtbank op 23 december 2025 het beroep behandelde. Eiser was niet aanwezig.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. Eiser stelde dat de ophoudingsduur onrechtmatig was overschreden, maar de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van vreemdelingenrechtelijke ophouding, aangezien de bewaring direct aansluitend volgde op strafrechtelijke detentie. Ook ontbrak een gebrek in de voorbereiding van de maatregel.
Verder voerde eiser aan dat de grondslag voor bewaring ontbrak omdat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd door vier maanden in Roemenië te verblijven en dat hij mocht vertrouwen op rechtmatig verblijf bij binnenkomst. De rechtbank stelde vast dat eiser dit niet aannemelijk had gemaakt en dat zijn verblijfsrecht was ingetrokken.
De minister had zware gronden voor bewaring, waaronder het onttrekken aan toezicht, die door eiser werden betwist. De minister liet enkele gronden vallen, maar de rechtbank vond dat de overgebleven gronden en lichte gronden voldoende waren om de maatregel te dragen. Ook was er geen aanleiding voor een lichter middel, gezien het risico op onttrekking en de weigering van eiser om mee te werken aan terugkeer.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring rechtmatig was en wees het beroep en verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.