ECLI:NL:RBDHA:2025:25456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
C/09/664938 / HA ZA 24-338
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 2:19 lid 5 BWArt. 7A:1673 lid 2 BWArt. 7A:1683 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Den Haag oordeelt over ontbinding en bestuur beleggingsfonds in commanditaire vennootschap

Deze civiele procedure betreft een geschil over een in 2003 opgericht beleggingsfonds in de vorm van een commanditaire vennootschap (CV), waarin particuliere beleggers participeerden. Kernpunten zijn of de CV rechtsgeldig is ontbonden en wie de beherend vennoot en beheerder is. De CV heeft een vastgoedobject gekocht dat in 2022 met winst is verkocht. Na verkoop heeft de beherend vennoot WVG Beheer de ontbinding van de CV geregistreerd en winst uitgekeerd aan de fondsbeheerder Belfort AM. SBB, een vereniging van participanten, stelt dat zij rechtsgeldig is benoemd tot beherend vennoot en wil WVG Beheer vervangen.

De rechtbank beoordeelt dat een besluit tot vervanging van de beherend vennoot op grond van de CV-akte unanimiteit van alle vennoten vereist, wat niet is bereikt. Evenmin is SBB rechtsgeldig benoemd tot beheerder of bewaarder. De ontbinding van de CV is niet rechtsgeldig genomen, omdat het vereiste quorum en de unanimiteit ontbraken. De CV is daarom niet ontbonden en verkeert niet in liquidatie. De CV wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, en de vorderingen van SBB worden afgewezen.

Daarnaast wijst de rechtbank de aansprakelijkheidsvorderingen tegen de bestuurders van de Stichting af wegens gebrek aan voldoende grondslag. De procedure wordt aangehouden voor nadere informatie over terugvorderingen van kosten en juridische kosten. De rechtbank benadrukt dat de participantenvergaderingen en besluitvorming strikt volgens de bepalingen van de CV-akte moeten plaatsvinden, waarbij unanimiteit voor belangrijke besluiten vereist is.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de CV niet ontbonden, wijst de vorderingen van SBB af en verklaart de CV niet-ontvankelijk in haar vorderingen.

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/664938 / HA ZA 24-338
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van

1.WAARDEVASTGOED HOLLAND V C.V., te Vianen,

hierna te noemen: ‘de CV’,
eiseres,
2.
STICHTING BEHARTIGING BELANG PARTICIPANTEN CAPITAL SCIENCE V, te Lisse,
hierna te noemen: ‘SBB’,
eiseres in conventie,
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaten mr. S.C. Krekel en mr. T.J. de Vries te Leiden,
tegen

1.STICHTING WAARDEVASTGOED HOLLAND V, te Vianen,

hierna te noemen: ‘de Stichting’,
gedaagde in conventie,
eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaten mr. L.T. van der Sluis en mr. B.P. Augustijn te Rotterdam,

2.[gedaagde 2] , te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: ‘ [gedaagde 2] ’,
gedaagde,
advocaten mr. H.J. Bakker en mr. K. Verheij te Leiden,

3.[gedaagde 3] , te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: ‘ [gedaagde 3] ’,
gedaagde,
advocaat: voorheen mr. H.J. Bakker en mr. K. Verheij te Leiden, onttrokken op 15 juli 2025, geen nieuwe advocaat gesteld,

4.WAARDEVASTGOED BEHEER V B.V. (IN LIQUIDATIE), te Vianen,

hierna te noemen: ‘WVG Beheer’
5.
BELFORT ASSET MANAGEMENT B.V. (IN LIQUIDATIE), te Terneuzen,
hierna te noemen: ‘Belfort AM’,
gedaagden,
advocaat mr. J.P. Hellinga te Zwijndrecht,

6.ORABEL B.V.te Katwijk,

hierna te noemen: ‘Orabel’
gedaagde,
advocaat mr. M.W.J. Ariëns te Haarlem,

7.[gedaagde 4] , te [woonplaats 3] ,

gedaagde,
niet verschenen,

8.[gedaagde 5] , te [woonplaats 4] ,

gedaagde,
niet verschenen.
Eisers (de CV en SBB) worden hierna samen ‘SBB c.s.’ genoemd.
Gedaagden 2 en 3 ( [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ) worden samen ‘de Bestuurders’ genoemd.
Gedaagden 4 en 5 worden hierna samen ‘WVG Beheer c.s.’ en ieder afzonderlijk ‘WVG Beheer’ en ‘Belfort AM’ genoemd.

1.Waar gaat deze zaak over?

In conventie
1.1.
Deze zaak gaat over een in 2003 opgericht beleggingsfonds (in de vorm van de CV), waarmee particuliere beleggers in een vastgoedobject konden beleggen. Zij werden dan stille vennoot in de CV. Beherend vennoot van de CV was WVG Beheer. De activa van de CV werden bewaard door een bewaarder (de Stichting), die ook zorgde voor de incassering en uitbetaling van de gelden. Ook kende de CV een (op grond van de financiële toezichtwetgeving verplichte) fondsbeheerder (in het vervolg ook beheerder genoemd). Die rol is in 2014 overgenomen door (de rechtsvoorganger van) Belfort AM, nadat de oorspronkelijke fondsbeheerder zijn vergunning had verloren. Er is in 2014 ook een nieuwe beheersovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Belfort AM, waarin een aanvullend recht op een deel van een eventuele winst na verkoop van het vastgoedobject was opgenomen.
1.2.
De CV heeft na de oprichting in 2003 een bedrijfspand gekocht dat in 2022 met winst is verkocht. Na de verkoop en levering heeft de beherend vennoot (WVG Beheer) laten registreren dat de CV is ontbonden en een deel van de winst is uitbetaald aan de beheerder van het fonds (Belfort AM). Ook zijn Belfort AM en WVG Beheer geturboliquideerd welke liquidatie vervolgens wegens aanwezige baten niet bleek te zijn geëffectueerd. In de loop van 2022 zijn binnen de CV geschillen ontstaan over de rechtsgeldigheid van de ontbinding en de uitbetaling aan Belfort AM. Naar aanleiding hiervan heeft een aantal participanten zich verenigd in SBB, die vervolgens WVG Beheer als beherend vennoot van de CV heeft willen vervangen. SBB is van mening dat zij in het najaar van 2022 rechtsgeldig is aangesteld als beherend vennoot. Zij is deze procedure namens haarzelf en de CV begonnen, ook om duidelijkheid te krijgen over de status van de CV en de vraag wie thans de beherend vennoot is.
1.3.
Daarnaast heeft SBB de Stichting en haar huidige bestuurders (de Bestuurders) aansprakelijk gesteld voor diverse uitbetalingen die rondom en na de ontbinding van de CV aan derden zijn gedaan en voor het meewerken aan (uitvoering van) de in 2014 gesloten beheersovereenkomst. De rechtbank heeft zich in een eerder incidenteel tussenvonnis onbevoegd verklaard om kennis te nemen van deze vorderingen, voor zover die zijn gericht tegen de Stichting, omdat daarop een arbitrageclausule van toepassing is. Omdat dit laatste niet geldt voor de (op bestuurdersaansprakelijkheid gebaseerde) vorderingen tegen de Bestuurders, wordt op die vorderingen in dit vonnis beslist.
1.4.
De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat de CV nog niet is ontbonden en dat WVG Beheer de beherend vennoot van de CV is gebleven. De CV wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. De vorderingen van SBB tegen de Bestuurders worden afgewezen, omdat niet duidelijk is gesteld waarom sprake is van een onrechtmatig handelen van de Bestuurders tegen SBB.
In reconventie
1.5.
Omdat SBB niet rechtsgeldig is benoemd tot beherend vennoot van de CV, vordert de Stichting terugbetaling door SBB van bedragen die de Stichting in haar hoedanigheid van bewaarder aan SBB heeft betaald in de periode dat SBB meende beherend vennoot van de CV te zijn. De rechtbank kan over deze vorderingen pas oordelen, nadat partijen haar van nadere informatie hebben voorzien. Daartoe zal de procedure worden verwezen naar de rol.

2.De procedure

2.1.
SBB c.s. heeft in de dagvaardingen in deze procedure vorderingen ingesteld tegen respectievelijk alle gedaagden (vordering I tot en met IV) en tegen de Stichting en de Bestuurders (vordering V tot en met X, waarvan vordering VII zich alleen richt tegen de Stichting en vordering VIII zich alleen richt tegen de Bestuurders).
2.2.
Vervolgens hebben de Stichting, de Bestuurders en WVG Beheer c.s. eerst, vóór alle andere weren, bij incidentele conclusie gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van (een deel van) de vorderingen kennis te nemen, omdat die vorderingen volgens hen onder het bereik van een arbitrageclausule vallen.
2.3.
De rechtbank heeft de incidentele vorderingen tot onbevoegdverklaring van de Bestuurders en WVG Beheer c.s. bij incidentele vonnissen van 18 september 2024 en 5 maart 2025 afgewezen.
2.4.
De incidentele vordering van de Stichting is wel toegewezen in het vonnis van 18 september 2024. De rechtbank heeft zich in dat vonnis onbevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering VII en de vorderingen VI, VIII en IX, voor zover die zijn ingesteld tegen de Stichting, omdat op die vorderingen een arbitrageclausule van toepassing is.
2.5.
Alle relevante stukken in de bevoegdheidsincidenten zijn in de incidentele vonnissen van 18 september 2024 en 5 maart 2025 opgesomd. Naast die stukken bestaat het procesdossier in deze zaak uit de volgende stukken:
- de dagvaardingen van 5 april 2024, met producties 1 t/m 49;
- de conclusie van antwoord van Orabel van 5 juni 2024, met producties 1 t/m 3;
- de conclusie van antwoord van WVG Beheer c.s. van 16 april 2025, met productie 1;
- de conclusie van antwoord van de Bestuurders van 16 april 2025, met producties 3 t/m 29;
- de conclusie van antwoord met eis in voorwaardelijke reconventie van de Stichting, met producties 15 t/m 58;
- het vonnis van 14 mei 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie van SBB c.s. van 28 mei 2025, met producties 52 en 53;
- de akte overlegging producties van SBB c.s. van 13 oktober 2025, met producties 54 t/m 56;
- de akte overlegging producties van de Stichting van 13 oktober 2025, met producties 59 t/m 62.
2.6.
Op 13 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
De advocaten van SBB c.s., WVG Beheer c.s., de Stichting en de Bestuurders hebben ter zitting spreekaantekeningen overgelegd, die tot de processtukken behoren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken en naar voren gebracht. De aantekeningen zijn aan het griffiedossier toegevoegd.
2.7.
Op verzoek van partijen is de zaak na de mondelinge behandeling enkele weken aangehouden om de mogelijkheid van een minnelijke regeling te verkennen. SBB c.s. heeft op de rol van 12 november 2025 gevraagd om vonnis te wijzen. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.
De CV is een beleggingsfonds. Dit fonds is in 2003 geïnitieerd door WaardeVastgoed Holland B.V. (hierna: ‘WVGH’). Met dit fonds werd aan particulieren gelegenheid gegeven om te beleggen in commercieel vastgoed. De particuliere beleggers (‘participanten’) konden dit doen door participaties van € 10.000 per stuk te kopen in de CV. De participanten werden dan stille vennoten in de CV. Er waren in totaal 980 participaties die bij derden konden worden geplaatst. Ter verwerving van participanten heeft WVGH op 11 maart 2023 een prospectus van het beleggingsfonds uitgebracht.
3.2.
De CV is bij notariële akte van 22 mei 2003 (hierna: de CV-akte) opgericht. Bij de CV zijn de volgende partijen betrokken:
- WVG Beheer (een dochtervennootschap van WVGH) is in de CV-akte aangewezen als de
beherend vennootvan de CV en als zodanig belast met het dagelijks bestuur van de CV;
- De Stichting is aangewezen als
bewaarderin de zin van (destijds) de Wet toezicht beleggingsinstellingen (‘Wtb’), inmiddels op basis van de Wet financieel toezicht (‘Wft’). Als bewaarder is de Stichting belast met de bewaring van de activa van de CV. Ook lopen alle geldstromen van de CV via (de bankrekening van) de Stichting;
- WVGH is aangesteld als (fonds)
beheerderin de zin van de Wtb (inmiddels de Wft). Als beheerder is WVGH belast met het administratief, financieel, commercieel en technisch beheer over het vastgoedtraject.
3.3.
In de CV-akte is verder onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Hierna worden onder ‘vennoten’ zonder nader aanduiding verstaan zowel de beherend vennoten als de commanditaire vennoten.
(…)
Doel
Artikel2
1. De vennootschap heeft ten doel het voor gemeenschappelijke rekening beleggen in het registergoed plaatselijk bekend [adres] en andere door de beherend vennoot aan te wijzen registergoederen, gelegen in Nederland van daartoe verkregen gelden en goederen, teneinde de vennoten in de opbrengst van de beleggingen te doen delen, en al datgene wat daarmede in verband staat of daartoe bevorderlijk is, een en ander in de ruimste zin.
(...)
Bestuur en vertegenwoordiging
Artikel 5
(…)
2. De beherend vennoot is met inachtneming van de beheerovereenkomst en de bewaarovereenkomst bevoegd alle rechtshandelingen voor rekening van de vennootschap te verrichten, met dien verstande dat:
(…)
III. met uitzondering van de in de prospectus van elf maart tweeduizend drie genoemde rechtshandelingen is de goedkeuring van de vergadering vereist voor:
(…)
c. het berusten in rechtsvorderingen of het voeren van processen zo eisend als werend, waarbij voor het nemen van conservatoire maatregelen de voorafgaande goedkeuring niet vereist is;
(…)
j. in het algemeen voor het aangaan van elke handeling die de som of waarde van (…) (€ 50.000,00) per jaar te boven gaat, zulks met uitzondering van verhuur- en service overeenkomsten en spoedeisende reparatiewerkzaamheden.
3. Het ontbreken van een goedkeuring of medewerking als in de vorige leden bedoeld, kan noch door noch aan de vennootschap worden tegengeworpen, onverminderd de bevoegdheid van iedere commanditaire vennoot tot het vorderen van schadevergoeding en/of ontbinding van de vennootschap, indien daartoe gronden zijn.
Overdracht en bezwaring van commanditaire deelnemingen
Artikel 6
1. Het recht van een vennoot in de vennootschap met het daarmee verbonden aandeel in het vermogen van de vennootschap of een gedeelte daarvan is niet overdraagbaar, tenzij de vennoten anders overeenkomen krachtens een besluit genomen met algemene stemmen in een vergadering van de vennoten waarin alle vennoten aanwezig of vertegenwoordigd zijn of na unanieme schriftelijke goedkeuring van alle vennoten.
(…)
Uittreden van een vennoot, ontbinding
Artikel 10
1. Een vennoot treedt uit:
a. wat betreft een vennoot-rechtspersoon: door zijn ontbinding
(…)
2. Het uittreden van een vennoot in de gevallen van lid 1 sub a, b en c heeft tot gevolg dat de vennootschap jegens zijn rechtsopvolger wordt voortgezet.
3. De overige vennoten zijn niet verplicht het aandeel van een uittredende vennoot over te nemen.
Ontbinding van de vennootschap, vereffening
Artikel 11
(…)
3. Na de ontbinding van de vennootschap zal zo spoedig mogelijk tot vereffening van de vennootschap worden overgegaan. De beherend vennoot zal als vereffenaar optreden.
4. (…) Gedurende de vereffening blijft het bepaalde in deze akte zoveel mogelijk van toepassing.
(…)
Besluitvorming vergadering van vennoten
Artikel 14
1. Elke participatie van tienduizend (€ 10.000) heeft recht op het uitbrengen van één (1) stem.
2. Vennoten kunnen zich ter vergadering schriftelijk door derden doen vertegenwoordigen. Een vennoot kan voor ten hoogste twee vennoten als gevolmachtigde optreden.
3. Een besluit tot:
a. het laten toetreden of vervangen van een (commanditaire) vennoot buiten het geval van vererving of legaat;
(…)
c. vervanging van de beheerder en/of bewaarder
(…)
f. ontbinding en/of vereffening van de vennootschap, indien de vennootschap ten tijde van het nemen van dit besluit (economisch en/of juridisch) eigenaar of rechthebbende is van registergoederen, kan slechts worden genomen met toestemming van alle vennoten, beherende zowel als commanditaire.
Alle overige besluiten van de vergadering van vennoten (derhalve ook een besluit tot ontbinding en/of vereffening van de vennootschap in geval de vennootschap ten tijde van het nemen van dit besluit geen (economisch en juridisch) eigenaar of rechthebbende meer is van registergoederen) worden genomen met een meerderheid van drie/vierde van de uitgebrachte stemmen.
Indien de beheerder en/of de bewaarder het voornemen te kennen geeft zijn functie neer te leggen, wordt binnen een termijn van vier (4) weken een vergadering van vennoten gehouden om in de benoeming van een vervanger te voorzien.
(…)
5. Voor het geval het voorgeschreven quorum niet aanwezig is en het een besluit betreft als bedoeld in artikel 14 lid 3 sub Pro b, c en/of d, zal na de eerste vergadering een nieuwe schriftelijke oproeping geschieden en zal aldus een tweede vergadering worden bijeengeroepen, te houden niet eerder dan veertien (14) dagen na de eerste vergadering, waarin rechtsgeldig kan worden besloten omtrent de in de eerste vergadering aan de orde gestelde onderwerpen, ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde vennoten.
(…)
Geschillen
Artikel 15
1. Alle geschillen, ook die, welke slechts door één van de vennoten als zodanig worden beschouwd, welke tussen de vennoten mochten ontstaan naar aanleiding van de in deze akte neergelegde overeenkomst dan wel nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn, zowel geschillen van juridische als die van feitelijke aard, zullen worden beslecht overeenkomstig het Reglement van het Nederlandse Arbitrage Instituut.
(…)”
3.4.
Op 22 mei 2003 is een ‘overeenkomst van beheer en bewaring’ gesloten tussen de CV, de Stichting, WVGH en Katwijk Holding N.V. (de rechtsvoorganger van Orabel) (hierna: ‘de Overeenkomst 2003’). In de Overeenkomst 2003 is aan WVGH opdracht gegeven om het vastgoedproject voor een periode van tien jaar (tot 1 april 2023) te beheren; aan de Stichting is opdracht gegeven om gedurende diezelfde periode als bewaarder van het vastgoedproject op te treden. In artikel 9 van Pro de Overeenkomst 2003 is bepaald dat de beheerder (WVGH) bij verkoop van registergoederen door de CV recht heeft op een bepaald percentage (20%) van de meeropbrengst (het verschil tussen de netto-verkoopopbrengst en de aankoopsom). De Overeenkomst 2003 houdt verder onder meer het volgende in:
“Taken Stichting
Artikel 1
(…)
2. De Stichting treedt op als bewaarder en draagt zorg voor:
(…)
- het aanhouden van gelden, alsmede het overmaken en uitkeren van gelden:
alles in het belang van en voor rekening en risico van de vennoten van de CV.
(…)
4. De liquiditeiten van de CV zullen worden geadministreerd op een bankrekening ten name van de Stichting.
(…)
7. De Stichting is jegens de CV en haar vennoten aansprakelijk voor de door hen geleden schade voor zover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van haar verplichtingen.
8. De Stichting geeft de in bewaring gegeven waarden (de tot het vastgoedproject behorende registergoederen) slechts af tegen ontvangst van een verklaring van de CV en de beheerder van de CV, waaruit blijkt dat afgifte wordt verlangd in verband met de regelmatige uitoefening van de beheersfunctie. De bewaring geschiedt op [e]en zodanige wijze dat over de in bewaring gegeven waarden overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 lid 2 van Pro de oprichtingsakte van de CV slechts kan worden beschikt door de CV en de Stichting tezamen.
(…)
Artikel 17
Alle geschillen, welke mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst dan wel van nadere overeenkomsten, die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslecht overeenkomstig het Reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut.”
3.5.
Vanaf 22 mei 2003 hebben particuliere beleggers participaties gekocht. In totaal kent de CV 313 participanten die samen 702 participaties houden. De participanten zijn de stille vennoten in de CV en worden hierna participanten of vennoten genoemd.
3.6.
De CV heeft belegd in één vastgoedobject, te weten het bedrijfspand aan de [adres] (hierna: ‘het Vastgoed’). De CV heeft het Vastgoed voor een bedrag van EUR 22,8 miljoen gekocht. Van dit bedrag is EUR 7,02 miljoen afkomstig uit de participaties, EUR 2,78 miljoen uit het aandeel van (de rechtsvoorganger van) Orabel en de overige EUR 13 miljoen uit een hypothecaire lening bij de bank.
3.7.
Na de aankoop is de CV voor 702/980e deel eigenaar geworden van het Vastgoed. (De rechtsvoorganger van) Orabel werd voor 278/980e deel eigenaar.
3.8.
Bij de oprichting van de Stichting en de CV (in 2003) waren [gedaagde 2] en dhr. [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’) de bestuurders van de Stichting. [gedaagde 2] is ook houder van één participatie, en daarmee tevens stille vennoot in de CV. Met ingang van 20 september 2021 is [gedaagde 3] in plaats van [naam 1] bestuurder van de Stichting geworden (samen met [gedaagde 2] ).
3.9.
In 2014 heeft WVGH haar vergunning op grond van de Wft om als fondsbeheerder op te treden verloren. WVGH kon daardoor niet langer als beheerder optreden. De waarde van het Vastgoed was rondom die tijd gedaald naar ongeveer EUR 13 miljoen. De Stichting heeft gezocht naar een nieuwe beheerder en heeft die gevonden in Belfort Fund Management B.V. (hierna: ‘Belfort FM’). Deze partij is gespecialiseerd in het beheer van kleinschalige fondsen en staat onder toezicht van de AFM en DNB. Dhr. [naam 2] (hierna: ‘ [naam 2] ’) is de bestuurder van Belfort FM. Belfort FM heeft in april 2014 het fondsbeheer van WVGH overgenomen. Ook heeft Belfort FM toen de aandelen en het bestuur van de beherend vennoot WVG Beheer overgenomen.
3.10.
In oktober 2014 hebben de CV, de Stichting, WVG Beheer, Orabel en [bedrijf 1] B.V. (als administrateur van het Vastgoed) een nieuwe ‘overeenkomst van beheer en bewaring’ getekend (hierna: ‘de Overeenkomst 2014’), voor de duur van tien jaren (tot 1 april 2023). Hierin is de Stichting opnieuw als bewaarder aangewezen. WVG Beheer werd in de overeenkomst tot beheerder benoemd. De bepalingen van de Overeenkomst 2014 zijn voor een groot deel gelijk aan de bepalingen van de Overeenkomst 2003. Een verschil tussen de beide overeenkomsten is dat in de Overeenkomst 2014 niet meer was opgenomen dat Orabel naar rato van bezit bij zou dragen in alle (exploitatie)kosten die verband houden met het Vastgoed. Ook werd de in artikel 9 vermelde Pro vergoeding (van 20%) uit de meeropbrengst in de Overeenkomst 2014 alleen berekend over het aandeel van de CV bij de verkoop van het Vastgoed; over het aandeel van Orabel ontving de beheerder geen vergoeding.
3.11.
Naast de Overeenkomst 2014 is op 21 november 2014 ook nog een document met de titel ‘beheerovereenkomst’ getekend (hierna: ‘het Addendum 2014’), met als contractspartijen de CV (vertegenwoordigd door [naam 2] ), WVG Beheer (vertegenwoordigd door [naam 2] ), de Stichting (vertegenwoordigd door [gedaagde 2] ) en Belfort FM (vertegenwoordigd door [naam 2] ). In het Addendum 2014 is kort gezegd vermeld dat Belfort FM wordt aangesteld als beheerder en als zodanig de opdracht krijgt tot het verrichten van beheer- en administratieve diensten. Verder is in artikel 6 van Pro het Addendum 2014 bepaald dat de beheerder (Belfort FM) bovenop het in artikel 9 van Pro de Overeenkomst 2014 bepaalde winstdeel van 20% ook nog recht heeft op een aanvullend deel van de winst.
3.12.
Aan de vergadering van vennoten van de CV (hierna de participantenvergadering) is geen toestemming gevraagd voor het wijzigen van de beheerder en voor het sluiten van de Overeenkomst 2014 en het Addendum 2014.
3.13.
WVGH is in 2015 failliet verklaard, waarbij [naam 3] tot curator is benoemd.
3.14.
In 2017 is Belfort AM de beheerder van de CV geworden, als opvolger van Belfort FM. Belfort AM wordt eveneens bestuurd door [naam 2] . Aan de participantenvergadering is geen toestemming gevraagd voor het wijzigen van de beheerder.
3.15.
Op 16 september 2020 is een participantenvergadering gehouden. In de notulen van de vergadering is opgenomen dat gezamenlijk 92,6% van de participaties heeft gestemd en dat 89,3% vóór verkoop is van het pand, dat het verkooptraject gestart gaat worden en dat het fonds zal worden beëindigd.
3.16.
Op 17 februari 2022 is het Vastgoed voor een bedrag van EUR 26,5 miljoen verkocht en geleverd aan een derde partij. Een gedeelte van de koopsom is aan de CV uitgekeerd, door overboeking op het bankrekeningnummer dat de Stichting voor de CV aanhoudt.
3.17.
Van de ontvangen koopsom voor het Vastgoed wordt een bedrag van ongeveer EUR 1,9 miljoen (nog steeds) door de notaris in depot gehouden. Van dit bedrag komt ongeveer EUR 1,4 miljoen toe aan de CV.
3.18.
Op 21 februari 2022 heeft de Stichting een bedrag van € 2.143.398 overgemaakt aan Belfort AM.
3.19.
Op 25 februari 2022 heeft [naam 2] namens WVG Beheer, als beherend vennoot van de CV, een ‘ontbindingsbesluit’ getekend, waarin staat dat op 25 februari 2022 een participantenvergadering is gehouden en dat de participantenvergadering ermee heeft ingestemd dat de CV wordt ontbonden en dat de Stichting als vereffenaar wordt benoemd.
3.20.
Op 25 februari 2022 heeft WVG Beheer (in de persoon van [naam 2] ) aan het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) opgave gedaan van de ontbinding van de CV. In het handelsregister is geregistreerd dat de CV op 4 maart 2022 is uitgeschreven en dat haar onderneming met ingang van 25 februari 2022 is opgeheven.
3.21.
Op 28 februari 2022 zijn WVG Beheer, Belfort AM en enkele gelieerde vennootschappen door [naam 2] ge(turbo)liquideerd. Op 4 maart 2022 is in het handelsregister geregistreerd dat WVG Beheer per 28 februari 2022 is ontbonden.
3.22.
Op 22 augustus 2022 hebben de heren [naam 4] (hierna: [naam 4] ) en [naam 5] (hierna: [naam 5] ) SBB opgericht. [naam 4] en [naam 5] zijn beiden participanten in de CV.
3.23.
Op 26 september 2022 heeft WVG Beheer in de persoon van [naam 2] aan (het handelsregister van) de KvK gemeld dat WVG Beheer niet is ontbonden en dat haar status moet worden gewijzigd naar ‘WVG Beheer in liquidatie’.
3.24.
Op 27 september 2022 heeft [naam 2] een ‘Opgaveformulier betreffende ontbinden samenwerkingsverband’ bij het handelsregister van de KvK ingediend, waarop kort gezegd is vermeld dat de CV op 25 februari 2022 in liquidatie is gegaan en dat WVG Beheer in liquidatie de vereffenaar is.
3.25.
Op 28 september 2022 heeft [naam 2] een formulier bij het handelsregister van de KvK ingediend, waarop staat dat er nog baten in de CV zijn met daarnaast de vermelding ‘Op 28-09-2022 is de onterechte ontbinding van samenwerkingsverband [de CV] hersteld’ en waarbij WVG Beheer wordt genoemd bij ‘Herstelde functievervulling: Vennoot’.
3.26.
Op 29 september 2022 is een participantenvergadering gehouden. Op de vergadering is onder meer gestemd over het voorstel tot aanstelling van SBB als beherend vennoot van de CV. Uit het proces-verbaal van de vergadering blijkt dat 282 participaties vóór dit voorstel hebben gestemd, 7 tegen, en 4 blanco.
3.27.
Op 5 oktober 2022 hebben WVG Beheer en Belfort AM een schriftelijke verklaring ondertekend, waarin zij onder meer verklaren dat zij hun functies als respectievelijk beherend vennoot en beheerder van de CV neerleggen “per de datum waarop de vennoten van de CV rechtsgeldig in hun beider vervanging hebben voorzien overeenkomstig de CV-akte van 22 mei 2003”.
3.28.
Op 20 oktober 2022 is een tweede participantenvergadering gehouden, waarbij opnieuw de aanstelling van SBB als beherend vennoot en beheerder van de CV op de agenda stond voor stemming. Uit de besluitenlijst van de vergadering blijkt dat 303 participaties vóór de benoeming van SBB hebben gestemd, met 1 stem tegen en 1 onthouding.
3.29.
Op 21 oktober 2022 is WVG Beheer c.s. een arbitrageprocedure bij het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) gestart tegen de CV, in verband met een geschil over de aan WVG Beheer c.s. toekomende vergoeding uit de verkoop van het Vastgoed. Deze procedure ligt momenteel stil in afwachting van een oordeel van de overheidsrechter over de vraag wie de CV in en buiten rechte kan vertegenwoordigen.
3.30.
Daarnaast is [naam 3] in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de heropende vereffening van het vermogen van WVGH (hierna ook te noemen: ‘de Vereffenaar’) in 2022 bij deze rechtbank een procedure gestart tegen de Stichting, de CV en Orabel (hierna te noemen: ‘de [naam 3] -procedure’), waarin de Vereffenaar aanspraak maakt op een deel van de winst uit de verkoop van het Vastgoed. De rechtbank heeft zich bij vonnis van 22 maart 2023 in de [naam 3] -procedure onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van de Vereffenaar, omdat die vorderingen volgens de rechtbank door een arbitraal beding worden bestreken. Het Gerechtshof Den Haag heeft dit vonnis bij arrest van 1 april 2025 in hoger beroep bekrachtigd.
3.31.
Op 10 februari 2023 heeft een door SBB uitgeroepen participantenvergadering plaatsgevonden. Hierop werd gestemd over de vervanging van de Stichting als bewaarder door de (vanuit SBB opgerichte) Stichting Bewaarder Capital Science V (hierna: ‘SBCS’). In de notulen van de vergadering staat dat met 493 participaties vóór vervanging van de bewaarder is gestemd en dat 11 participaties tegen hebben gestemd.
3.32.
Op 24 februari 2023 is een tweede participantenvergadering gehouden, waarop opnieuw de vervanging van de bewaarder voor stemming stond. Van alle stemmen hebben 471 participaties hiervóór en 3 participaties hiertegen gestemd.
3.33.
SBB c.s. heeft in het kader van hun vorderingen in deze procedure conservatoire beslagen doen leggen onder de Stichting en de Bestuurders. Ook zijn er nog verschillende conservatoire derdenbeslagen gelegd door de Vereffenaar ten laste van de Stichting, de CV en Orabel.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
SBB c.s. vordert – zakelijk weergegeven en met inachtneming van de gedeeltelijke onbevoegdverklaring van de rechtbank ten aanzien van een deel van de vorderingen tegen de Stichting – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
ten aanzien van alle gedaagden:
i.
Primair: voor recht verklaart dat geen rechtsgeldig besluit tot ontbinding van de CV is genomen, dat de CV niet is ontbonden en niet in liquidatie verkeert; of
Subsidiair: de rechtshandelingen van 25 februari, 27 september en 28 september 2022, waarmee de inschrijving van de C.V. in het handelsregister is gemuteerd, vernietigt;
II. voor recht verklaart dat SBB rechtsgeldig is benoemd tot beherend vennoot en beheerder van de C.V. en dat SBB daarom bevoegd is de CV te vertegenwoordigen;
III. voor recht verklaart dat de inschrijving van de CV in het handelsregister moet worden hersteld naar de situatie zoals deze was tot 25 februari 2022, met vermelding van SBB als beherend vennoot per 20 oktober 2022;
IV. voor recht verklaart dat de Stichting op 24 februari 2023 rechtsgeldig is vervangen als bewaarder van de CV en dat SBCS rechtsgeldig is benoemd tot bewaarder van de CV;
ten aanzien van de Bestuurders:
V. de Bestuurders hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de CV van een bedrag van € 468.248,31 te vermeerderen met rente;
VI. de Bestuurders hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de C.V. van € 5.490 aan conservatoire beslagkosten;
VII.
(in de dagvaarding: vordering VIII)voor recht verklaart dat de Bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld jegens SBB c.s. door het aangaan en uitvoeren van de Overeenkomst 2014 en het Addendum 2014 en dat de Bestuurders daarvoor aansprakelijk zijn jegens SBB c.s., met veroordeling tot vergoeding van de door SBB c.s. geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat;
VIII.
(in de dagvaarding: vordering: IX)voor recht verklaart dat de door de Bestuurders gemaakte proceskosten of kosten voor uitvoering van het vonnis voor hun rekening komen en niet, op grond van enige overeenkomst of andere grondslag, door SBB c.s. worden gedragen;
ten aanzien van de Stichting en de Bestuurders:
IX.
(in de dagvaarding: vordering X)de Stichting en de Bestuurders beveelt over te gaan tot overdracht aan SBCS van de liquiditeiten, (financiële) administratie, jaarstukken, overeenkomsten en correspondentie met betrekking tot de CV, op straffe van een dwangsom;
met hoofdelijke veroordeling van alle gedaagden in de kosten, te vermeerderen met rente.
4.2.
De Stichting, WVG Beheer c.s., de Bestuurders en Orabel voeren ieder voor zich verweer. Het verweer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de CV, althans afwijzing van de vorderingen van SBB c.s. en met veroordeling van SBB in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
4.4.
Indien de rechtbank in conventie tot het oordeel komt dat SBB niet rechtsgeldig is aangesteld als beherend vennoot en/of beheerder van de CV, dan vordert de Stichting – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank SBB bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling aan de Stichting van een bedrag van € 348.023,69, te vermeerderen met rente en kosten.
4.5.
SBB voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering en met veroordeling van de Stichting in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie
Is SBB beherend vennoot van de CV geworden?
5.1.
SBB c.s. vordert in conventie onder meer de verklaring voor recht dat SBB tot beherend vennoot van de CV is benoemd. De gedaagden hebben betwist dat SBB is aangesteld als beherend vennoot. Volgens de Stichting betekent dit ook dat de CV niet rechtsgeldig als eiseres in dit geding is verschenen, omdat SBB niet bevoegd was de CV te vertegenwoordigen. Gelet op dit verstrekkende verweer, zal de rechtbank dit geschilpunt als eerste bespreken.
Een besluit tot vervanging van de beherend vennoot valt onder artikel 14 lid 3 onder Pro a van de CV-akte
5.2.
WVG Beheer is bij de oprichting van de CV tot beherend vennoot benoemd. Tussen partijen is niet in geschil dat de vennoten op grond van de CV-akte kunnen besluiten tot vervanging van de beherend vennoot. Wel verschillen zij van mening of een besluit tot vervanging van de beherend vennoot onder de categorie “vervangen van een (commanditaire) vennoot” als bedoeld in artikel 14 lid 3 onder Pro a valt, waarvoor toestemming van alle vennoten is vereist, of dat dit een besluit is waarvoor op grond van de tweede volzin van artikel 14 lid 3 een Pro drie/vierde meerderheid van de uitgebrachte stemmen voldoende is. De gedaagden nemen het eerste standpunt in, SBB c.s. neemt het tweede standpunt in. SBB c.s. betoogt daarnaast dat op grond van artikel 14 lid 3 na Pro verkoop van het Vastgoed
allebesluiten met een drie-vierde meerderheid kunnen worden genomen, dus ook een besluit als bedoeld in artikel 14 lid 3 onder Pro a.
5.3.
Dit geschilpunt vraagt om uitleg van de CV-akte. Daarbij stelt de rechtbank het volgende voorop. Uit de rechtspraak volgt dat indien een overeenkomst naar haar aard meer is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting kunnen kennen, een uitleg naar objectieve maatstaven op zijn plaats is. Dat houdt niet in dat uitsluitend wordt gekeken naar de grammaticale uitleg van de tekst van de betwiste contractsbepaling. Bij de uitleg dient de inhoud van het gehéél van de contractsbepalingen in acht te worden genomen, zodat ook elders in de overeenkomst gebruikte formuleringen in aanmerking mogen worden genomen, terwijl behoort te worden gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, grammaticaal op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook andere objectief kenbare aanknopingspunten kunnen bij de uitleg worden meegewogen. [1] De rechtbank acht een dergelijke objectieve uitlegmaatstaf hier op zijn plaats, omdat de CV-akte is bedoeld om de rechtspositie te bepalen van een grote groep nog toe te treden vennoten (de participanten), die niet bij de oprichting van de CV en de totstandkoming van de CV-akte waren betrokken en de subjectieve bedoelingen van de opstellers van die akte dus niet kunnen kennen. Het is dan ook niet billijk om aan die subjectieve bedoeling betekenis toe te kennen bij de uitleg van de akte, anders dan voor zover die bedoeling blijkt uit de tekst van de CV-akte zelf, of uit andere voor ieder kenbare bronnen.
5.4.
SBB c.s. betwist dat artikel 14 lid 3 onder Pro a (ook) ziet op de vervanging van de beherend vennoot. SBB c.s. voert daartoe onder meer als argument aan dat artikel 14 lid 3 onder Pro a alleen een fiscaalrechtelijk doel heeft. Het is belangrijk om in het vennootschapscontract op te nemen dat vervreemding van participaties (en dus vervanging van een commanditaire vennoot) gedurende de hele looptijd van de CV alleen met toestemming van alle vennoten kan plaatsvinden, omdat de CV anders in het kader van de vennootschapsbelasting als een zelfstandig belastbare onderneming wordt gezien. Artikel 14 lid 3 onder Pro a is specifiek hiervoor geschreven en ziet dus alleen op toetreding of vervanging van
commanditaire vennoten, aldus SBB c.s.
5.5.
De rechtbank volgt SBB c.s. hierin niet. Allereerst is al in artikel 6 lid 1 van Pro de CV-akte expliciet bepaald dat het aandeel van een commanditaire vennoot in het vermogen van de CV niet vrij verhandelbaar is, behalve met toestemming van alle vennoten. Het fiscaalrechtelijk kwalificeren van de CV als besloten CV is in artikel 6 dus Pro al geregeld. Bovendien is de kernvraag of artikel 14 lid 3 onder Pro a (ook) van toepassing is op de vervanging van de beherend vennoot. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. In de CV-akte is vóór artikel 1 opgenomen Pro dat onder ‘vennoten’ zonder nadere aanduiding zowel de beherend vennoot als de commanditaire vennoten worden verstaan. In de overige bepalingen van de CV-akte worden consequent de termen ‘vennoten’, ‘commanditaire vennoot’ (zonder haakjes) of ‘beherend vennoot’ (ook zonder haakjes) gebruikt. Gelet op die systematiek ligt het voor de hand dat als artikel 14 lid 3 onder Pro a uitsluitend op de toetreding of vervanging van een commanditaire vennoot had gezien, in die bepaling “commanditaire vennoot” (zonder haakjes) had gestaan. Maar dat is niet gebeurd. In artikel 14 lid 3 onder Pro a staat ‘(commanditaire) vennoten’, met ‘commanditaire’ tussen haakjes. Die schrijfwijze duidt erop dat deze bepaling op
allevennoten ziet, op commanditaire maar dus ook op de beherend vennoot. Daarnaast is vervanging van de beherend vennoot een verstrekkende beslissing, die in beginsel unanieme toestemming van de vennoten vereist. [2] Indien de opstellers van de CV-akte niet de bedoeling hadden om met artikel 14 lid 3 onder Pro a ook de vervanging van de beherend vennoot te regelen, dan had mogen worden verwacht dat zij elders in artikel 14 lid 3 een Pro specifieke regeling voor besluiten tot vervanging van de beherend vennoot hadden opgenomen. [3] Het is niet aannemelijk dat de opstellers van de CV-akte zo’n belangrijk besluit onder de categorie ‘overig besluit’ met een drie/vierde meerderheidsdrempel hebben willen laten vallen, terwijl bijvoorbeeld de vervanging van de beheerder of de bewaarder wel expliciet is geregeld én door unanimiteit moet worden gedragen. Ook dat onderschrijft dus de uitleg van de gedaagden en niet die van SBB c.s.
Voor een besluit tot vervanging van de beherend vennoot is unanimiteit vereist
5.6.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande met de gedaagden van oordeel dat de vervanging van de beherend vennoot valt onder de besluiten als genoemd in artikel 14 lid 3 onder Pro a van de CV-akte. Op grond van die bepaling kan een dergelijk besluit alleen worden genomen met toestemming van
allevennoten. Anders dan SBB c.s. betoogt, geldt dit unanimiteitsvereiste niet uitsluitend indien de CV ten tijde van het besluit nog eigenaar is van registergoederen. Uit de taalkundige formulering van artikel 14 lid 3 volgt Pro duidelijk dat de in artikel 14 lid 3 onder Pro f achter de eerste komma geplaatste toevoeging “indien de vennootschap ten tijde van het nemen van dit besluit (..) eigenaar of rechthebbende is van registergoederen” uitsluitend ziet op de daarvoor onder f genoemde besluiten tot ontbinding en/of vereffening van de CV, en niet op de besluiten genoemd in lid 3 onder a tot en met e. Dat volgt ook uit het feit dat in de tweede volzin van lid 3 expliciet is toegelicht dat een besluit tot ontbinding en/of vereffening van de CV met een drie/vierde meerderheid kan worden genomen, indien de CV ten tijde van het nemen van dat besluit geen eigenaar meer is van registergoederen. Dat de oprichter van de CV ( [gedaagde 4] ) thans in een door SBB c.s. ingebrachte schriftelijke verklaring schrijft dat het de bedoeling van de oprichters van de CV is geweest om alle besluiten genoemd onder (a) tot en met (f) met een drie/vierde meerderheid te kunnen nemen zodra de CV geen vastgoed meer in eigendom had, leidt niet tot een ander oordeel. De door hem gestelde bedoeling blijkt immers niet uit de tekst van de CV-akte of uit andere objectief kenbare stukken. Zijn verklaring legt voor de uitleg dus geen gewicht in de schaal.
SBB is niet tot beherend vennoot benoemd
5.7.
Uitgangspunt is dus dat een besluit tot vervanging van WVG Beheer door SBB op grond van artikel 14 lid 3 onder Pro a van de CV-akte slechts met toestemming van alle vennoten kon worden genomen. Dat is niet gebeurd. Noch op de vergadering van 29 september 2022, noch op de vergadering van 20 oktober 2022 is door alle vennoten gestemd vóór de aanstelling van SBB als beherend vennoot. Niet ter discussie staat immers dat op geen van de vergaderingen alle participanten aanwezig dan wel vertegenwoordigd waren. Dat was wel nodig, want een besluit tot vervanging van de beherend vennoot als bedoeld in artikel 14 lid 3 sub a valt Pro niet onder de besluiten waarover op grond van het vijfde lid van artikel 14 nogmaals Pro op een tweede vergadering (met minder vennoten) kan worden gestemd, als op de eerste vergadering niet alle vennoten aanwezig of vertegenwoordigd waren. Daarmee was besluitvorming over de vervanging van de beherend vennoot tijdens deze vergaderingen niet mogelijk. Dit nog afgezien van de omstandigheid dat de wel aanwezige en vertegenwoordigde participanten tijdens de vergaderingen niet allemaal vóór de vervanging van WVG Beheer hebben gestemd. Daaruit volgt dat SBB niet tot beherend vennoot is benoemd.
5.8.
SBB heeft nog gesteld dat WVG Beheer en Belfort AM in de brief van 5 oktober 2022 hun functies hadden neergelegd en bovendien al waren ontbonden, zodat zij op grond van artikel 10 lid 1 onder Pro a als vennoot waren uitgetreden en op grond van artikel 14 lid Pro 3 (slotzin) van de CV-akte in hun vervanging moest worden voorzien. Dit betoog kan niet slagen. Ook als WVG Beheer zou zijn uitgetreden als beherend vennoot, betekent dit nog niet – omgekeerd – dat SBB als nieuwe beherend vennoot is aangesteld, ondanks dat niet alle vennoten daarmee overeenkomstig artikel 14 lid 3 onder Pro a hebben ingestemd.
5.9.
En daarbij komt het volgende. Hoewel dit strikt genomen geen onderdeel is van de vordering van SBB c.s. – zoals de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling aan partijen heeft voorgehouden – zal zij toch een overweging wijden aan de vraag of WVG Beheer als beherend vennoot is af- of uitgetreden, omdat partijen op dit punt wel argumenten hebben uitgewisseld. De rechtbank wijst de stelling van SBB dat WVG Beheer als beherend vennoot is uitgetreden af. Weliswaar hebben WVG Beheer en Belfort AM in hun brief van 5 oktober 2022 verklaard dat zij hun functie neerleggen, maar pas per de datum waarop de vennoten van de CV
rechtsgeldigin hun beider vervanging hebben voorzien
overeenkomstig de CV-akte van 22 mei 2003. Uit het voorgaande volgt dat niet aan die voorwaarde is voldaan, want er is niet overeenkomstig artikel 14 lid 3 onder Pro a door alle vennoten voor vervanging van WVG Beheer als beherend vennoot gestemd.
5.10.
Evenmin kan worden geoordeeld dat WVG Beheer op grond van artikel 10 lid 1 als Pro beherend vennoot is uitgetreden. Weliswaar staat in de aanhef van artikel 10 lid Pro 1 ‘een vennoot treedt uit’ en niet ‘een commanditaire vennoot treedt uit’, maar uit het tweede en het derde lid van artikel 10, waarin staat dat het uittreden van een vennoot tot gevolg heeft dat de vennootschap tegen zijn rechtsopvolger wordt voortgezet en dat de overige vennoten niet verplicht zijn
het aandeel vaneen uittredende vennoot over te nemen, valt op te maken dat artikel 10 toch Pro echt is geschreven voor uittreding van commanditaire vennoten/participanten, en niet voor uittreding van de beherend vennoot WVG Beheer, die immers geen aandeel heeft in de CV. Bovendien heeft [naam 2] weliswaar op 4 maart 2022 in het handelsregister laten registreren dat WVG Beheer per 28 februari 2022 na turboliquidatie was ontbonden, maar het is niet weersproken dat ten tijde van deze turboliquidatie nog sprake was van baten, zodat WVG Beheer sinds 28 februari 2022 in liquidatie is en nog niet is opgehouden te bestaan (artikel 2:19 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). WVG Beheer (in liquidatie) kan zijn taken als beherend vennoot en vereffenaar van de CV nog steeds uitoefenen.
5.11.
De rechtbank is ten slotte – anders dan SBB betoogt – niet van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid in dit geval eraan in de weg staan dat de gedaagden zich jegens SBB op het unanimiteitsvereiste van artikel 14 lid 3 onder Pro a van de CV-akte beroepen (artikel 6:248 lid 2 BW Pro). Weliswaar is de drempel voor vervanging van de beherend vennoot heel hoog en kan die vervanging vanwege de vereiste instemming van alle vennoten ook door de stem van één participant worden tegengehouden, maar die hoge drempel is inherent aan het in de CV-akte verankerde besluitvormingssysteem, waarmee alle participanten bij hun toetreding tot de CV hebben ingestemd. De CV-akte wijkt op dit punt bovendien niet af van de wet, want ook voor de herroeping van de bestuursbevoegdheid van een bij het vennootschapscontract aangestelde besturend vennoot wegens gewichtige redenen op grond van artikel 7A:1673 lid 2 BW, is in beginsel unanimiteit bij de niet besturende vennoten vereist. [4] De participanten (van hogere leeftijd) kunnen zich bovendien op grond van artikel 14 lid 2 door Pro derden of andere vennoten laten vertegenwoordigen, zodat het – anders dan SBB stelt – geen utopie is dat zij allemaal in een vergadering verschijnen. De gedaagden mogen SBB c.s. dan ook aan de vereiste unanieme instemming van alle vennoten houden.
5.12.
Dat op de participantenvergaderingen van 29 september 2022 en 20 oktober 2022 niet door alle vennoten, maar wel met een groot deel van de uitgebrachte stemmen (respectievelijk 96 en 99%) vóór de aanstelling van SBB is gestemd, maakt niet dat in dit geval op grond van de redelijkheid en billijkheid van die unanimiteitseis moet worden afgeweken. Omdat niet alle participanten vertegenwoordigd waren geeft deze stemverhouding geen volledig beeld van de wensen van alle participanten.
5.13.
Dat de gedaagden volgens SBB c.s. eerder zelf de goedkeuringsvereisten van de CV-akte hebben geschonden door zonder toestemming van de participantenvergadering de Overeenkomst 2014 en het Addendum 2014 te sluiten en de beheerder te wijzigen vormt, ook indien juist (het oordeel hierover is aan arbiters), evenmin een reden om de tussen de vennoten overeengekomen instemmingsvereisten in dit geval aan de kant te schuiven en te bepalen dat SBB WVG Beheer als beherend vennoot heeft vervangen, ook al hebben niet alle vennoten daarmee ingestemd. Indien in 2014 sprake was van een schending van de Overeenkomst betekent dit niet dat de betreffende bepalingen niet meer hoeven te worden toegepast, alleen al niet omdat dan onduidelijk zou zijn wat tussen partijen op dit punt wel zou gelden.
5.14.
Ook de door WVG Beheer c.s. tegen de CV gestarte arbitrageprocedure maakt het oordeel van de rechtbank op dit punt niet anders. Immers, indien WVG Beheer (als beherend vennoot) de CV uit de arbitrageprocedure zou terugtrekken, staan de individuele participanten op grond van artikel 5 lid 3 en Pro artikel 15 van Pro de CV-akte nog steeds wegen ter beschikking om de rechtsgeldigheid van de in 2014 gesloten overeenkomsten en de aan WVG Beheer c.s. uitbetaalde vergoeding in arbitrage aan te vechten. Ook dit maakt niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dat WVG Beheer als beherend vennoot en vereffenaar van de CV is aangebleven.
De CV is niet-ontvankelijk in deze procedure
5.15.
De conclusie is dus dat SBB geen beherend vennoot van de CV is geworden. Dat betekent dat de in die zin gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen. Ook brengt deze conclusie met zich dat SBB de CV niet heeft kunnen vertegenwoordigen en dat de CV dus niet rechtsgeldig in deze procedure is verschenen. De rechtbank zal de CV niet-ontvankelijk verklaren.
De CV is niet ontbonden
5.16.
Nu de CV niet-ontvankelijk is, liggen alleen nog de vorderingen ter beoordeling voor die SBB als eisende partij heeft ingesteld. Het gaat dan allereerst om de gevorderde verklaring voor recht dat de CV niet is ontbonden.
5.17.
Hoewel SBB zelf geen vennoot is in de CV, is niet in geschil dat SBB opkomt voor de belangen van een aantal participanten die wel vennoot in de CV zijn en dus betrokken zijn bij de rechtsverhouding waarover een verklaring voor recht wordt gevraagd. SBB heeft verder voldoende onderbouwd dat de participanten die haar vormen een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW Pro hebben om te weten of de CV inmiddels is ontbonden en in liquidatie is of niet. De rechtbank zal dan ook op de vordering beslissen. Kerngeschilpunt hierbij is of de CV op 25 februari 2022 rechtsgeldig is ontbonden, zoals gedaagden stellen, en SBB – andersom – betwist. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
5.18.
Op grond van artikel 14 lid 3 van Pro de CV-akte behoeft een besluit tot ontbinding van de CV toestemming van de vennoten. WVG Beheer c.s. heeft op 25 februari 2022 als beherend vennoot een besluit ondertekend, waarin staat dat op 25 februari 2022 een participantenvergadering is gehouden en dat de vergadering ermee heeft ingestemd dat de CV wordt ontbonden. Vast staat dat die verklaring onjuist is, want er was op 25 februari 2022 geen participantenvergadering waarin voor de ontbinding van de CV is gestemd.
5.19.
Volgens WVG Beheer c.s. is het ontbindingsbesluit van 25 februari 2022 ongelukkig geformuleerd. WVG Beheer c.s. (en met haar de Stichting en de Bestuurders) stelt dat de vennoten op de participantenvergadering van 16 september 2022 (met een meerderheid van 89,3% van de uitgebrachte stemmen) al bij voorbaat toestemming hebben gegeven om het Vastgoed te verkopen en de CV na de verkoop te ontbinden. Op grond van dit besluit was WVG Beheer c.s. bevoegd om op 25 februari 2022 tot ontbinding van de CV over te gaan, zonder dat daarvoor opnieuw een participantenvergadering hoefde te worden uitgeroepen, aldus WVG Beheer c.s.
5.20.
Dit betoog slaagt niet. Allereerst hebben de vennoten volgens de notulen van de vergadering op 16 september 2020 ermee ingestemd dat het verkooptraject wordt gestart en dat het fonds ‘daarna zal worden beëindigd’. De rechtbank leest in die laatste passage niet dat de participanten al bij voorbaat toestemming hebben gegeven om de CV direct na de verkoop te ontbinden en dat daar na verkoop dus geen besluit meer over hoeft te worden genomen. Daarnaast biedt de CV-akte geen ruimte voor de door WVG Beheer c.s. bepleite constructie. Nergens in de CV-akte staat dat de participanten al bij voorbaat kunnen besluiten dat de CV op een nog onbekend tijdstip in de toekomst zal worden ontbonden. Zelfs als – welwillend gelezen – wordt aangenomen dat de CV-akte besluitvorming bij voorbaat niet uitsluit, dan nog kon een besluit tot ontbinding van de CV op 16 september 2020 op grond van artikel 14 lid 3 onder Pro f alleen met toestemming van alle vennoten worden genomen, omdat de CV ten tijde van dat besluit nog eigenaar was van het Vastgoed. De CV-akte biedt hoe dan ook geen ruimte voor de door WVG Beheer c.s. bepleite opvatting dat op 16 september 2020 met een drie/vierde meerderheid kon worden besloten dat de CV in de toekomst, na verkoop van het Vastgoed, werd ontbonden.
5.21.
Dat betekent dat er geen rechtsgeldig besluit tot ontbinding (met het door de CV-akte vereiste quorum en aantal stemmen) is genomen, niet op 25 februari 2025 en niet op 16 september 2020. Aan het door WVG Beheer ondertekende ‘ontbindingsbesluit’ komt geen werking toe jegens de CV en de vennoten. De ontbinding van de vennootschap staat niet in de rij met rechtshandelingen genoemd in artikel 5 lid 2 onder Pro III van de CV-akte, zodat het bepaalde in artikel 5 lid Pro 3, waarin staat dat het ontbreken van goedkeuring van de vergadering voor de in het tweede lid opgesomde handelingen niet door of aan de CV kan worden tegengeworpen, reeds daarom niet opgaat. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de CV niet op grond van de wet, meer specifiek artikel 7A:1683, aanhef, onder 2 BW, is ontbonden. Bovendien is dit artikel slechts van regelend recht en hebben de vennoten in dit geval in de CV-akte bepaald dat, in afwijking van artikel 7A:1683 BW, de ontbinding van de CV de toestemming van de vennoten behoeft, met het in de CV-akte bepaalde aantal stemmen. Aan die voorwaarde is nog niet voldaan. De rechtbank zal dan ook voor recht verklaren dat de CV niet is ontbonden en niet in liquidatie verkeert.
SBB is niet benoemd tot (fonds)beheerder
5.22.
SBB heeft onder II een verklaring voor recht gevorderd dat SBB rechtsgeldig is benoemd tot (fonds)beheerder. Die vordering wordt afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.23.
Op grond van artikel 14 lid 3 onder Pro c van de CV-akte moet een besluit tot vervanging van de beheerder met toestemming van alle vennoten worden genomen (beherende en commanditaire). Op de participantenvergadering van 29 september 2022 hebben de vennoten niet unaniem voor de aanstelling van SBB als nieuwe beheerder gestemd. Op grond van artikel 14 lid 5 van Pro de CV-akte kan alsnog in een tweede vergadering rechtsgeldig over een besluit tot vervanging van de beheerder worden gestemd, indien het voorgeschreven quorum op de eerste vergadering niet aanwezig is. Er kan dan rechtsgeldig worden besloten ‘ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde vennoten’, aldus de laatste bijzin van lid 5. Uit die bewoordingen van lid 5 volgt dat alleen het quorumvereiste van het derde lid onder c vervalt, dat wil zeggen dat niet alle vennoten aanwezig of vertegenwoordigd hoeven te zijn om een rechtsgeldig besluit over de vervanging van de beheerder te kunnen nemen. Voor de stemverhouding blijft gelden wat in artikel 14 lid 3 staat Pro, dus dat een besluit tot vervanging van de beheerder op de tweede vergadering unaniem moet worden genomen. Indien het de (voor de participanten en derden kenbare) bedoeling was dat op de tweede vergadering – in afwijking hiervan – een drie/vierde meerderheid van de uitgebrachte stemmen voldoende was, had dat als zodanig in artikel 14 lid 5 moeten Pro staan. Dat is niet het geval. Uit de CV-akte volgt dus, naar objectieve maatstaven uitgelegd, dat een besluit tot vervanging van de beheerder ook op de tweede vergadering met unanieme instemming van de op de vergadering aanwezige of vertegenwoordigde vennoten moet worden genomen. Anders dan SBB stelt, wordt dat niet anders wanneer de CV ten tijde van de stemming geen vastgoed meer in eigendom heeft. Uit artikel 14 lid 3 van Pro de CV-akte volgt duidelijk dat die verlaagde drempel na eigendomsoverdracht alleen geldt voor besluiten tot ontbinding en/of vereffening van de CV, en niet voor de besluiten genoemd onder artikel 14 lid 3 onder Pro a tot en met e (dus ook niet voor de vervanging van de beheerder). De rechtbank verwijst naar wat hiervoor onder 5.6 reeds is overwogen.
5.24.
Vast staat dat ook op de tweede vergadering van 20 oktober 2022 niet unaniem door de aanwezige of vertegenwoordigde vennoten vóór de aanstelling van SBB als beheerder is gestemd. SBB is daarmee geen beheerder geworden. Voor zover SBB betoogt dat de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat de gedaagden een beroep doen op de door de CV-akte vereiste unanimiteit, wordt dat verworpen. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor onder r.o. 5.11. is overwogen. Evenmin slaagt het verweer van SBB dat op grond van artikel 14 lid 3 laatste Pro volzin in een nieuwe beheerder moest worden voorzien, omdat Belfort AM had aangekondigd haar functie als beheerder neer te leggen. Anders dan het verweer tot uitgangspunt neemt, legde Belfort AM haar functie als beheerder niet onmiddellijk neer maar pas nadat
rechtsgeldig conform de bepalingen van de CV-akte was beslotendat zij door SBB zou worden vervangen. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor onder 5.9. is overwogen. Aan die gestelde voorwaarde is niet voldaan. Belfort AM was vanwege haar turboliquidatie ook niet uitgetreden op grond van artikel 10 lid 1 van Pro de CV-akte, want die bepaling ziet alleen op uittreding van vennoten en Belfort AM is geen vennoot in de CV. Bovendien verkeert Belfort AM in liquidatie, zij was dus ook niet opgehouden te bestaan. Ook dat was dus geen reden waarom in een nieuwe beheerder zou moeten worden voorzien.
Geen vordering inschrijving in het handelsregister
5.25.
Partijen zijn het erover eens dat de inschrijving in het handelsregister over de status van de CV en de beherend vennoot moet corresponderen met wat hieromtrent in dit vonnis wordt geoordeeld. Voor zover SBB onder III heeft willen vorderen dat de inschrijving in het handelsregister in die zin moet worden hersteld, is dat feitelijk een bevel aan de beherend vennoot van de CV (WVG Beheer), en geen verklaring voor recht, zoals wordt gevorderd. Die vordering leent zich dus niet voor toewijzing.
SBCS is geen bewaarder geworden en heeft geen recht op afgifte van administratie
5.26.
De rechtbank is van oordeel dat SBB (als opkomend voor de belangen van een aantal participanten) voldoende belang heeft om een verklaring voor recht te vorderen over de vraag of SBCS de Stichting is opgevolgd als bewaarder van de CV. Verwezen wordt naar wat hiervoor onder r.o. 5.17. is overwogen.
5.27.
Met de gedaagden is de rechtbank van oordeel dat SBCS niet is aangesteld als bewaarder. Ten eerste dienen participantenvergaderingen op grond van artikel 13 lid 7 van Pro de CV-akte te worden geleid door de beherend vennoot en SBB was geen beherend vennoot. SBB was dus ook niet bevoegd om de participantenvergaderingen van 10 februari 2023 en 24 februari 2023 te leiden. Daarnaast geldt voor de vervanging van de bewaarder op grond van artikel 14 lid 3 onder Pro c en lid 5 van de CV-akte hetzelfde unanimiteitsvereiste als voor de vervanging van de beheerder (zie hiervoor r.o. 5.23). Die unanimiteit is zowel op de eerste vergadering van 10 februari 2023 als op de tweede vergadering van 24 februari 2023 niet bereikt. Vordering IV wordt dus afgewezen.
5.28.
Nu SBCS geen bewaarder is geworden, is er ook geen grond om de Stichting en de Bestuurders te bevelen om de administratie van de CV aan SBCS over te dragen. De daartoe strekkende vordering wordt dus eveneens afgewezen.
Geen aansprakelijkheid van de Bestuurders voor door de Stichting verrichte betalingen
5.29.
In de dagvaarding is onder V de veroordeling van de Bestuurders gevorderd tot betaling van een bedrag van € 469.248,21 aan de CV. SBB voert als grondslag voor deze vordering aan dat de Bestuurders hebben toegelaten en bewerkstelligd dat de Stichting als bewaarder diverse (grote) betalingen heeft verricht aan de Bestuurders zelf en aan derde partijen, zelfs nadat de Stichting niet meer in functie was als bewaarder, zonder dat is gebleken dat voor die betalingen een grondslag bestond en/of zonder dat voor die betalingen de toestemming van de CV en de toestemming van de vergadering van vennoten (voor uitgaven boven de € 50.000) is gevraagd, welke toestemming op grond van artikel 1 lid 8 van Pro de Overeenkomst 2003 en artikel 5 lid 2 onder Pro III onder j van de CV-akte wel was vereist.
5.30.
Gevorderd is betaling
aan de CV. In de dagvaarding is gesteld dat de handelswijze van de bestuurders onrechtmatig is
jegens de CVen dat
de CV hierdoor schade heeft geleden, zie bijvoorbeeld de dagvaarding, randnummers 4.24 en 4.27. De rechtbank heeft de CV hiervoor niet-ontvankelijk verklaard. Alleen SBB is nog eisende partij. SBB heeft niet (voldoende) gesteld waarom ook sprake is van onrechtmatig handelen jegens SBB en waarom SBB ook een vordering op de Bestuurders heeft. Evenmin is gesteld waarom sprake is van ongerechtvaardigde verrijking ten koste van SBB. De vordering van SBB wordt dan ook bij gebrek aan dragende grondslag afgewezen.
Geen aansprakelijkheid van de Bestuurders voor het aangaan en uitvoeren van de Overeenkomst 2014 en het Addendum 2014
5.31.
SBB stelt dat de Bestuurders als bestuurder van de Stichting onrechtmatig hebben gehandeld door het aangaan en uitvoeren van de Overeenkomst 2014 en het Addendum 2014 namens de Stichting, zonder hiervoor de door de CV-akte vereiste voorafgaande toestemming van de participanten te vragen. In de dagvaarding is een verklaring voor recht gevorderd dat dit handelen onrechtmatig is jegens eisers (SBB en de CV) en dat de Bestuurders gehouden zijn de door eisers (SBB en de CV) geleden schade te vergoeden.
5.32.
De rechtbank moet beoordelen of SBB een vordering heeft op de Bestuurders. Nog los van de vraag of het omschreven handelen van de Bestuurders inhoudelijk als persoonlijk ernstig verwijtbaar valt aan te merken, zoals SBB stelt, ligt het ook op de weg van SBB om voldoende gemotiveerd te stellen waarom in dit geval sprake is van onrechtmatig handelen jegens SBB en waarom SBB een schadevergoedingsvordering kan instellen. SBB bestond immers nog niet in 2014 (toen de Overeenkomst 2014 en het Addendum 2014 zijn gesloten) en ook nog niet in februari 2022 (toen door de Stichting op basis van het Addendum 2014 uitbetalingen aan Belfort AM zijn gedaan). Weliswaar is duidelijk dat SBB bestaat uit een aantal participanten, maar SBB heeft niet toegelicht wie die participanten zijn, wat hun rol is, en in welke hoedanigheid SBB voor die participanten een vordering tot schadevergoeding kan instellen, ook nu SBB – zoals thans vaststaat – geen beherend vennoot van de CV is. Deze vordering van SBB moet dus eveneens bij gebrek aan een dragende grondslag worden afgewezen.
Aanhouding beslissing in conventie (in afwachting van eindoordeel in reconventie)
5.33.
De conclusie in conventie is dus dat de CV niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorderingen en dat, als het gaat om de vorderingen van SBB, uitsluitend voor recht zal worden verklaard dat de CV niet is ontbonden en niet in liquidatie is. De overige vorderingen van SBB zullen worden afgewezen. De rechtbank zal deze beslissingen nog niet in dit vonnis uitspreken, omdat in reconventie geen eindvonnis kan worden gewezen (zie hierna) en het – in verband met een eventueel hoger beroep – procedureel niet doelmatig is om in conventie al een deelvonnis te wijzen terwijl de reconventie nog niet is afgerond.
5.34.
De beslissingen in conventie zullen dus worden aangehouden totdat ook op de vordering in reconventie kan worden beslist. In het eindvonnis zal eveneens in conventie een proceskostenveroordeling ten laste van SBB worden uitgesproken, nu SBB in conventie overwegend in het ongelijk is gesteld.
in reconventie
5.35.
In conventie is geoordeeld dat SBB niet is aangesteld als beherend vennoot of beheerder. De rechtbank zal daarom de (onder die voorwaarde ingestelde) vordering in reconventie van de Stichting beoordelen.
Betalingen aan NAI (€ 34.950,23)
5.36.
De betalingen van (opgeteld) € 34.950,23 zien op de administratiekosten en aanvullende depots die de CV op grond van het arbitragereglement aan het NAI heeft moeten voldoen, als verwerende partij in de door WVG Beheer c.s. aangespannen arbitrageprocedure. De Stichting heeft als bewaarder een deel van die kosten aan het NAI betaald. Een ander deel hiervan is door SBB aan het NAI betaald; dat deel heeft de Stichting daarom niet zelf aan het NAI maar aan SBB betaald. De Stichting vordert dit deel nu terug van SBB. De reden daarvoor is dat de Stichting vreest dat SBB (nu is geoordeeld dat zij geen beherend vennoot van de CV is) de door haar voorgeschoten gelden mogelijk zal terugvorderen van het NAI, en de Stichting die kosten vervolgens opnieuw aan het NAI moet betalen (en daarmee dubbel betaalt).
5.37.
Uit het door SBB ingenomen standpunt in deze procedure volgt onmiskenbaar dat SBB het met de Stichting eens is dat de voorgeschoten kosten zijn betaald voor de CV, dat de CV die kosten aan het NAI is verschuldigd, en dat er geen grond is voor SBB om die voorgeschoten kosten (die door de Stichting aan SBB zijn vergoed) van het NAI terug te vorderen. Aldus is er geen reden om aan te nemen dat het door de Stichting geschetste risico van ‘dubbelbetaling’ aan het NAI zich zal voordoen. De Stichting heeft daarmee geen (voldoende) belang om de voorgeschoten kosten ‘preventief’ van SBB terug te vorderen.
Betalingen van onkosten (€ 2.854,48)
5.38.
De Stichting heeft facturen van [bedrijf 2] voor zaal- en horecakosten voor gehouden participantenvergadering betaald. Ook zijn onkosten (voornamelijk reiskosten) van de bestuurders van SBB vergoed. In totaal heeft de Stichting € 2.854,48 aan onkosten vergoed. De Stichting vordert die betaalde gelden thans van SBB terug, omdat SBB geen beherend vennoot of beheerder van de CV was en SBB de Stichting dus zonder recht of titel heeft geïnstrueerd tot betaling van deze kosten. SBB heeft betwist dat de Stichting het geld kan terugvorderen. Volgens haar kan slechts de CV dit doen.
5.39.
De rechtbank overweegt in dat kader als volgt. De Stichting is bewaarder van de gelden van de CV. Op grond van de CV-akte en de Overeenkomst 2003 en de Overeenkomst 2014 kunnen alleen de beherend vennoot van de CV en de beheerder over de gelden van de CV beschikken en betalingen aan de bewaarder opdragen. De situatie in deze zaak kenmerkt zich hierdoor, dat na de participantenvergaderingen van 29 september en 20 oktober 2022 intern onduidelijkheid bestond over de vraag wie inmiddels de beherend vennoot en/of de beheerder van de CV was: SBB of WVG Beheer c.s. Beide partijen hebben zich als bevoegd vertegenwoordiger en vereffenaar van de CV opgeworpen en aan de Stichting verzocht om namens de CV betalingen aan derden te doen voor schulden die SBB dan wel WVG Beheer c.s. als (verondersteld) beherend vennoot namens de CV waren aangegaan, zoals de rekening van Expo Houten en rekeningen van advocaten. De Stichting heeft onweersproken gesteld dat zij destijds, ter voorkoming van verdere procedures, tot betaling aan de derde-schuldeisers is overgegaan, maar wel onder het voorbehoud richting SBB dan wel WVG Beheer c.s. dat daartoe een grondslag zou bestaan (wat niet het geval was als SBB dan wel WVG Beheer c.s. geen beherend vennoot en/of beheer zou blijken te zijn). Het was voor SBB en de Stichting dus al van meet af aan duidelijk dat SBB de Stichting zou moeten terugbetalen, als achteraf zou blijken dat zij niet rechtsgeldig tot beherend vennoot of beheerder was aangesteld.
5.40.
Bij de rechtbank is de vraag ontstaan of in de hierboven omschreven feitelijke gang van zaken rondom het (onder voorbehoud gehonoreerde) verzoek tot uitbetaling, een tussen SBB en de Stichting gesloten overeenkomst moet worden gelezen, op grond waarvan op SBB een verbintenis tot terugbetaling van het aan derden betaalde bedrag aan de Stichting kwam te rusten, in het geval zou komen vast te staan dat SBB geen beherend vennoot en/of beheerder van de CV was. Partijen hebben zich hier nog niet met zoveel woorden over uitgelaten. De rechtbank zal partijen hiertoe alsnog in de gelegenheid stellen, eerst de Stichting en dan SBB.
5.41.
Daarbij komt nog het volgende. Uit de pleitnota van de Stichting (randnummer 6.5) volgt dat op de participantenvergadering van 17 november 2022 ook is gestemd over het stellen en het voeren van verweer namens de CV in de Barthel-procedure. Hiervoor was op grond van de CV-akte de instemming van de participanten vereist. SBB heeft als verweer aangevoerd dat de kosten van alle participantenvergaderingen niet voor rekening van SBB moeten komen, omdat het houden van vergaderingen sowieso noodzakelijk is geweest. Dit roept de vraag op of de stelling van de Stichting dat zij ten onrechte de kosten heeft betaald die SBB heeft gemaakt voor het organiseren van participantenvergadering ook opgaat voor de participantenvergadering van 17 november 2022 waarin werd gestemd over het procederen in de Barthel-procedure, nu de Stichting kennelijk erkent dat alle met de Barthel-procedure samenhangende kosten voor rekening van de CV komen. De rechtbank zal partijen opdragen om zich ook nog specifiek over dit punt uit te laten.
Juridische kosten (€ 310.488,98)
5.42.
De Stichting heeft advocaatkosten van DeClerq advocaten betaald. Het gaat om een bedrag van in totaal € 310.488,98, gefactureerd tussen 19 juli 2022 en 30 juni 2023. De facturen betreffen juridische werkzaamheden die SBB (namens de CV) aan de advocaat heeft opgedragen.
5.43.
Vast staat dat SBB geen beherend vennoot en ook geen beheerder van de CV was. SBB kon dus geen instructies of opdrachten namens de CV geven. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van SBB dat SBB desondanks over een rechtsgeldige volmacht beschikte om namens de CV te procederen, omdat de participanten SBB daartoe op de vergadering van 17 november 2022 met een meerderheid van 99,3% van de uitgebrachte stemmen hadden gevolmachtigd. De beherend vennoot is bevoegd om alle rechtshandelingen voor rekening van de CV te verrichten (zie ook artikel lid 5 lid 2 van de CV-akte). De beherend vennoot (WVG Beheer) was op de vergadering van 17 november 2022 niet aanwezig en heeft niet voor het geven van een procesvolmacht aan SBB gestemd. De participanten konden geen procesvolmacht aan SBB geven, want op grond van artikel 20 lid 2 van Pro het Wetboek van Koophandel (Wvk) mogen stille vennoten in een CV geen daden van beheer verrichten. SBB was dus niet bevoegd om namens de CV opdrachten aan de DeClerq advocaten te verstrekken.
5.44.
Partijen kunnen zich nog uitlaten over de vraag of de voorgeschoten kosten op grond van een tussen SBB en de Stichting gemaakte partijafspraak kunnen worden teruggevorderd (zie hiervoor, r.o. 5.40.). In toevoeging daarop geldt hier nog het volgende. Partijen zijn het erover eens dat SBB geen terugbetalingsplicht heeft voor advocatenkosten die samenhangen met de Barthel-procedure(zowel in eerste aanleg als in hoger beroep). WVG Beheer heeft als beherend vennoot (achteraf) een procesvolmacht aan SBB gegeven om namens de CV in die procedure verweer te voeren en partijen zijn het erover eens dat de daarvoor gemaakte kosten door de CV moeten worden gedragen. Niet duidelijk is echter welk deel van de gedeclareerde juridische kosten van € 310.488,98 betrekking heeft op de [naam 3] -procedure. De informatie hierover bevindt zich in het domein van de toenmalige feitelijke opdrachtgever (SBB) en haar advocaten, terwijl de Stichting gemotiveerd heeft betwist dat alle of het grootste deel van de door de advocaten opgevoerde kosten op de Barthel-procedure zien. De rechtbank zal aan SBB opdragen om bij akte nader te specificeren en te onderbouwen welk deel van de juridische kosten verband houdt met de Barthel-procedure. De Stichting kan daar vervolgens bij antwoordakte op reageren.
5.45.
Iedere verdere beslissing in reconventie worden in afwachting van de nadere aktewisseling aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank:
In conventie
6.1.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
6.2.
verwijst de zaak naar de rol van 21 januari 2026 voor:
een akte aan de zijde van de Stichting voor uitlaten over de onder 5.40., 5.41 en in het verlengde daarvan 5.44. genoemde punten;
een akte aan de zijde van SBB voor uitlaten over het onder 5.44. genoemde punt inzake de kosten voor de [naam 3] -procedure;
Partijen kunnen vervolgens op de op de rol van 18 februari 2026 bij antwoordakte op elkaars akten reageren (SBB dus op de akte onder i en de Stichting op de akte onder ii);
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
type: 2431

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 (DSM/Fox)
2.Asser/Van Olffen 7-VII 2022/87
3.Eveneens Asser/Van Olffen 7-VII 2022/87
4.Eveneens Asser/Van Olffen 7-VII 2022/87