ECLI:NL:RBDHA:2025:25403

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL24.36503
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Venezolaanse en Colombiaanse nationaliteit met betrekking tot vervolging op basis van homoseksualiteit en hiv-besmetting

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 11 december 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, die van Venezolaanse en Colombiaanse nationaliteit is, beoordeeld. Eiser heeft op 4 februari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze is door de minister op 22 augustus 2024 afgewezen. Eiser stelt dat hij te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn homoseksualiteit, hiv-besmetting en Venezolaanse nationaliteit bij terugkeer naar Colombia. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Colombia te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. De rechtbank vernietigt echter het terugkeerbesluit voor Venezuela, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan eiser geen uitstel van vertrek wordt verleend op medische gronden. De rechtbank concludeert dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat de minister een medisch advies heeft overgelegd waaruit blijkt dat de benodigde zorg voor hiv in Colombia beschikbaar is. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van € 1.814,- toegewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36503
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Visschers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 4 februari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Venezolaanse en Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.M.V. Schaik als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is homoseksueel en besmet met het hiv-virus (hiv). Eiser is opgegroeid in Venezuela en is als minderjarige seksueel misbruikt en mishandeld door een vriend van eisers broer. Ook werd eiser gepest en gediscrimineerd vanwege zijn homoseksualiteit op school en door zijn familie. Verder is eiser op zijn werk in Venezuela bedreigd door de man van zijn leidinggevende nadat eiser haar had aangesproken over het maken van discriminerende opmerkingen tegenover homoseksuelen. Eiser is later vertrokken naar Colombia en daar gaan werken. Een collega ontdekte dat eiser homoseksueel is en besmet is met hiv. Deze collega van eiser heeft die informatie verspreid. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan waarna de collega hem heeft bedreigd.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- homoseksualiteit;
- seksueel misbruik op jonge leeftijd door een vriend van eisers broer in Venezuela;
- bedreiging die eiser heeft ontvangen van de man van zijn leidinggevende in Venezuela;
- problemen die eiser op het werk heeft ondervonden met zijn collega in Colombia.
8. De minister vindt de asielmotieven geloofwaardig, maar vindt niet dat deze voldoende zwaarwegend zijn voor het verlenen van een asielvergunning aan eiser. De minister stelt zich over de gestelde problemen in Venezuela op het standpunt dat het seksueel misbruik waar eiser slachtoffer van is geworden en de bedreiging van de man van zijn leidinggevende niet te herleiden zijn tot een van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag. Ook is volgens de minister niet aannemelijk dat eiser om deze redenen bij terugkeer naar Venezuela opnieuw heeft te vrezen voor ernstige schade. Er is inmiddels veel tijd verstreken sinds het seksueel misbruik en het heeft zich na de lagere school niet meer voorgedaan. De bedreiging van de man van eisers leidinggevende vond plaats in 2017 waarna eiser niets meer van hem heeft vernomen. Verder heeft eiser geen aangifte gedaan van deze bedreiging. Ten aanzien van de bedreigingen van de familie van eiser, heeft de minister erop gewezen dat de familie niet weet van wie die bedreigingen afkomstig zijn en dat deze ook niet op eiser zelf zijn gericht. Verder is volgens de minister niet aannemelijk dat eiser heeft te vrezen voor discriminatie vanwege zijn homoseksualiteit in Venezuela, omdat uit het Algemeen ambtsbericht Venezuela van juni 2020 blijkt dat homoseksuelen in Venezuela wettelijk worden beschermd en dat eiser zich dus kan uiten als homoseksueel.
9. Verder stelt de minister zich over de gestelde problemen in Colombia op het standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat eiser te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn homoseksualiteit of ernstig wordt gediscrimineerd. De minister wijst erop dat uit het Algemeen ambtsbericht Colombia van maart 2022 blijkt dat in Colombia geen sprake is van vervolging van de LHBTI-gemeenschap. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn homoseksualiteit, hiv-besmetting of Venezolaanse nationaliteit zodanige persoonlijke problemen heeft ondervonden dat sprake is van discriminatie in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Colombia opnieuw heeft te vrezen voor zijn collega op het werk, omdat hij aangifte heeft gedaan en de Colombiaanse autoriteiten zijn probleem serieus hebben genomen. Eiser heeft daarna niets meer van de collega vernomen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit naar Colombia of Venezuela uitgevaardigd.
10. De rechtbank stelt vast dat eiser zowel de Venezolaanse als de Colombiaanse nationaliteit heeft. De minister heeft dan ook beoordeeld in hoeverre eiser heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade bij terugkeer naar zowel Venezuela als Colombia. Op de zitting hebben partijen afgesproken dat als de rechtbank tot het oordeel komt dat het beroep ongegrond is voor zover dat betrekking heeft op het standpunt van de minister dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Colombia een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade, dat de rechtbank dan niet zal beoordelen of eiser bij terugkeer naar Venezuela heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. Om deze reden zal de rechtbank als eerste beoordelen of de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Colombia een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.

Het standpunt van eiser

11. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Colombia heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade, omdat hij de Venezolaanse nationaliteit heeft, besmet is met hiv, homoseksueel is en in het verleden als minderjarige seksueel is misbruikt. Volgens eiser leiden al deze omstandigheden afzonderlijk, maar in elk geval in samenhang tot een vrees voor vervolging of ernstige schade. Eiser ervaart discriminatie vanwege zijn Venezolaanse nationaliteit, omdat het om deze reden lastig is om werk of een woning te vinden in Colombia. Deze omstandigheid wordt versterkt door het feit dat eiser homoseksueel is. Dit is van belang, omdat eiser werk nodig heeft om toegang te krijgen tot medische zorg voor zijn hiv-besmetting. Volgens eiser is sprake van een cumulatie van omstandigheden waardoor sprake is van een zo ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Daarbij verwijst eiser naar het Algemeen ambtsbericht Colombia van juni 2024 en andere openbare informatie waaruit blijkt dat LHBTI-personen een verhoogd risico lopen op vervolging vanwege discriminatie in Colombia. Daarbij wijst eiser ook op de problemen die hij op zijn werk heeft ondervonden, omdat deze samenhangen met zijn hiv-besmetting. Volgens eiser motiveert de minister dan ook niet deugdelijk dat hij niet heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade gezien de cumulatie van omstandigheden. Ook heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat de autoriteiten eiser daartegen bescherming kunnen bieden.
12. Verder voert eiser aan dat de minister bij de beoordeling van zijn vrees had moeten betrekken dat hij als minderjarige slachtoffer is geweest van seksueel misbruik. De minister moet namelijk alle relevante feiten en omstandigheden betrekken voor het maken van een integrale beoordeling van zijn vrees voor vervolging dan wel ernstige schade. Bovendien is het seksueel misbruik een aanwijzing dat sprake is van een subjectieve vrees. Op de zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat hij als slachtoffer van seksueel misbruik behoort tot een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Het oordeel van de rechtbank

Algemene situatie LHBTI in Colombia
13. De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 juni 20241 van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat uit de algemene situatie voor homoseksuelen in Colombia niet blijkt dat zij in het algemeen een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer. De algemene informatie waar eiser in beroep op wijst verandert dit oordeel niet. Uit die informatie blijkt dat sprake is van geweldsincidenten tegen de LHBTI-gemeenschap in Colombia. Dat hiervan sprake is, heeft de Afdeling in de uitspraak van 5 juni 2024 betrokken. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat er beschermingsmogelijkheden zijn die specifiek gericht zijn op seksuele minderheden en transpersonen en dat niet kan worden gezegd dat bescherming van de Colombiaanse autoriteiten tegen dat geweld of discriminatie niet mogelijk is.2 De minister heeft dan ook in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om LHBTI-personen aan te merken als risicoprofiel in het landenbeleid van Colombia of om zich op het standpunt te stellen dat eiser vanwege zijn homoseksualiteit bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging.
Individuele omstandigheden
14. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is dat eiser heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade bij terugkeer naar Colombia. Niet is gebleken dat eiser vanwege zijn homoseksualiteit, hiv-besmetting, Venezolaanse nationaliteit dan wel door een cumulatie van die omstandigheden zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren in Colombia.
15. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser in Colombia woonruimte tot zijn beschikking had en vlak voor zijn vertrek uit Colombia werk had als manager bij een hamburgerrestaurant. Eiser heeft deze baan zelf opgezegd om naar Nederland te vertrekken. Eiser heeft over zijn werk verklaard dat hij de kans kreeg om door te groeien binnen het bedrijf en de leiding had over acht werknemers als bedrijfsleider.3 De omstandigheid dat eiser met een van deze werknemers problemen heeft ervaren vanwege zijn homoseksualiteit en hiv-besmetting maakt niet dat het aannemelijk is dat eiser heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade. Het is ook niet gebleken dat eiser als gevolg daarvan zijn baan is kwijtgeraakt of anderszins problemen heeft gehad met bijvoorbeeld andere collega’s of zijn leidinggeven heeft geleid, terwijl eiser heeft verklaard dat de werknemer wel aan de andere collega’s heeft verteld over eisers hiv-besmetting. Bovendien heeft eiser aangifte gedaan tegen de betreffende werknemer. De Colombiaanse autoriteiten hebben vervolgens een verzoeningspoging georganiseerd met de toezegging dat als de werknemer niet zou verschijnen de autoriteiten hem zouden opsporen naar aanleiding van de aangifte. Ook is van belang dat eiser heeft verklaard toegang te hebben tot medische zorg voor zijn hiv-besmetting, omdat hij werk had en daardoor verzekerd was. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer geen werk zal kunnen vinden en als gevolg daarvan verstoken zal blijven van medische zorg voor zijn hiv-besmetting.
16. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat eiser heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade, omdat hij als minderjarige slachtoffer is geworden van seksueel misbruik. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat het misbruik heeft plaatsgevonden in Venezuela. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat het seksueel misbruik heeft geleid tot angstige gevoelens bij eiser, zijn er geen aanwijzingen dat bekend is geworden in Colombia dat eiser hiervan slachtoffer is geworden. Evenmin is door eiser aannemelijk gemaakt of onderbouwd dat slachtoffers van seksueel misbruik in Colombia hebben te vrezen voor vervolging of dat eiser als slachtoffer persoonlijk in Colombia problemen heeft ondervonden.

Conclusie Colombia en terugkeer naar Venezuela

17. De rechtbank concludeert dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is dat eiser heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade bij terugkeer naar Colombia. Gelet op wat de rechtbank heeft vastgesteld onder overweging 10 van deze uitspraak en wat op de zitting met partijen is afgesproken, zal zij de beroepsgronden van eiser die gaan over zijn vrees voor vervolging en ernstige schade bij terugkeer naar Venezuela niet bespreken.
18. De rechtbank stelt vast dat de minister een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd aan eiser waardoor hij moet terugkeren naar Colombia of Venezuela. Gelet op het voorgaande en wat partijen op de zitting hebben afgesproken, heeft de rechtbank niet kunnen beoordelen in hoeverre terugkeer naar Venezuela voor eiser mogelijk is. De rechtbank vernietigt daarom het terugkeerbesluit, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op terugkeer naar Venezuela.

Uitstel van vertrek

19. Eiser voert aan dat de minister zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt stelt dat geen uitstel van vertrek wordt verleend aan eiser. Dit omdat eiser zijn medische dossier heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij onder medische behandeling staat voor zijn hiv-besmetting.
20. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen uitstel van vertrek aan eiser wordt verleend, omdat niet is gebleken dat eiser onder medische behandeling staat.4 De minister heeft voorafgaand aan de zitting aangegeven dat voor het beoordelen van uitstel van vertrek voor eiser bij nader inzien een advies nodig is van Bureau Medische Advisering (BMA-advies). Het bestreden besluit bevat daarmee in zoverre een motiveringsgebrek en een zorgvuldigheidsgebrek. Het beroep is daarom gegrond voor zover dat is gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarin de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat aan eiser geen uitstel van vertrek wordt verleend.
21. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van dat standpunt en dat onderdeel van het bestreden besluit in stand te laten. De minister heeft een BMA-advies aangevraagd die na de zitting is ontvangen. In het BMA-advies wordt op basis van de beschikbare informatie over therapiemogelijkheden geconcludeerd dat blijkt dat de behandeling voor hiv in Colombia voldoende is om een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden te voorkomen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het bestuursorgaan mag afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.5 Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich gelet op het BMA-advies op het standpunt kunnen stellen dat aan eiser geen uitstel van vertrek wordt verleend. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser de conclusie van het BMA-advies weliswaar heeft bestreden met verwijzing naar openbare informatie, maar dat daaruit hooguit blijkt dat vanwege overbelasting de toegang tot zorg en medicijnen vertraagd kan worden. Verder blijkt uit eisers verklaringen dat hij voor zijn vertrek naar Nederland toegang had tot de benodigde zorg en niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Colombia niet opnieuw deze zorg zal kunnen ontvangen, al dan niet nadat hij werk heeft gevonden. De rechtbank merkt daarbij ook op dat eiser telkens na aankomst in Colombia werk heeft kunnen vinden.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit op onderdelen in strijd is met het motiveringsbeginsel6 en het zorgvuldigheidsbeginsel7. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover de minister daarin heeft besloten dat geen uitstel van vertrek wordt verleend aan eiser, omdat niet is gebleken dat hij onder medische behandeling staat. Wel laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van dit vernietigde onderdeel van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand. Dit omdat uit het na de zitting door de minister overgelegde BMA-advies volgt dat de benodigde medische zorg voor hiv voldoende beschikbaar is voor eiser in Colombia. De rechtbank vernietigt ook het bestreden besluit voor zover de minister in het terugkeerbesluit Venezuela heeft opgenomen als land van terugkeer. Het terugkeerbesluit voor zover daarbij Colombia is opgenomen als land van terugkeer blijft in stand. Het bestreden besluit blijft ook voor het overige in stand.
24. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond.
  • vernietigt het bestreden besluit van 22 augustus 2024, voor zover daarin is beslist dat geen uitstel van vertrek aan eiser wordt verleend
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het gedeelte van het bestreden besluit waarin is beslist dat geen uitstel van vertrek aan eiser wordt verleend in stand blijven.
  • vernietigt het bestreden besluit van 22 augustus 2024 voor zover het uitgevaardigde terugkeerbesluit betrekking heeft op Venezuela als land van terugkeer.
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2331.
2 Vergelijk overwegingen 8. tot en met 8.2. en 10. tot en met 10.3. van de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2331.
3 Verslag van het nader gehoor van 30 oktober 2023, pagina 7.
4 Artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1753, onder overweging 4.1.
6 Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7 Artikel 3:2 van de Awb.
11 december 2025

Documentcode: [Documentcode]