ECLI:NL:RBDHA:2025:24864

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.33874 en NL25.33876
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf en het verzoek om voorlopige voorziening in het kader van familie- en gezinsleven

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) door de minister van Asiel en Migratie. Eiseres, een 77-jarige vrouw met de Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend om bij haar meerderjarige dochter, referente, in Nederland te kunnen verblijven. De aanvraag werd afgewezen op basis van het argument dat er geen sprake zou zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente, zoals vereist onder artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, ondanks de ernstige gezondheidsproblemen van eiseres en de zorg die referente aan haar verleent. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag voor de mvv en het verzoek om voorlopige voorziening niet deugdelijk is gemotiveerd en vernietigt het besluit van de minister. Verweerder moet binnen acht weken na de uitspraak een nieuw besluit nemen, waarbij de rechtbank de relevante feiten en omstandigheden in overweging moet nemen. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding van € 2.721,- en het griffierecht van € 194,- wordt ook vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.33874 en NL25.33876
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. C.E. van Diepen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. [referente] (hierna: referente) heeft deelgenomen via een videoverbinding. Ook op zitting aanwezig waren de echtgenoot, de dochter en de zoon van referente.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1948 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 11 december 2023 heeft eiseres een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar meerderjarige dochter, referente. Referente is geboren op [geboortedatum 2] 1972 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Referente woont sinds 1993 in Nederland en is op 7 juli 2024 naar Marokko afgereisd, nadat eiseres een herseninfarct heeft gekregen. Referente verblijft momenteel bij eiseres in Marokko.
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder neemt geen familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM [1] aan, omdat er volgens verweerder geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres stelt dat er wel sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM tussen haar en referente. Eiseres is 77 jaar, alleenstaand en heeft ernstige gezondheidsproblemen. Eiseres heeft ook twee beroertes gehad, waarvan de laatste plaatsvond op 7 juli 2024 en sindsdien is zij volledig zorgafhankelijk. Referente verblijft sinds 7 juli 2024 bij haar moeder in Marokko om voor haar te zorgen. De langdurige afwezigheid van referente legt een zware emotionele, psychische en financiële druk op referente en haar gezin. Haar echtgenoot heeft als gevolg van haar langdurige afwezigheid een burn-out gehad. Referente is daarbij met onbetaald verlof, als zij haar werk niet uiterlijk 12 februari 2026 hervat zal zij haar baan verliezen. Bovendien is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid en van hechte persoonlijke banden, omdat referente al ruim een jaar haar gezin en werk in Nederland heeft achtergelaten en noodgedwongen bij haar moeder in Marokko verblijft. Verweerder heeft ten onrechte zwaarwegend gewicht toegekend aan de omstandigheid dat referente en eiseres geruime tijd gescheiden hebben gewoond. De reden van het opnieuw samenwonen is daarbij uit noodzaak vanwege het herseninfarct van eiseres en niet vanwege culturele gewoonten. Verweerder houdt ook ten onrechte vast aan een exclusieve afhankelijkheid als vereiste voor een beschermenswaardig familieleven. Bovendien is niet aannemelijk dat er in het geval van eiseres een reëel alternatief is. Daarnaast is er sprake van financiële en materiële (praktische) afhankelijkheid. Verweerder miskent daarbij dat het dankzij de aanwezigheid van referente is, dat eiseres feitelijk toegang heeft tot medische zorg. Dat daarnaast financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet, doet geen afbreuk aan het bestaan van een feitelijke afhankelijkheidsrelatie. Verder heeft verweerder ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. Ook heeft verweerder ten onrechte geen beoordeling gemaakt aan de hand van het informatiebericht met betrekking tot ouderen in de laatste levensfase.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er tussen eiseres en referente geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en overweegt daartoe het volgende.
7. Een familierelatie tussen een ouder en een meerderjarig, niet jongvolwassen, kind valt alleen onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM wanneer er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat die beoordeling ziet op de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. [2] Verweerder moet daarbij een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Voor de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen de volgende factoren relevant zijn: of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat met de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder heeft weliswaar in zijn beoordeling betrokken dat referente door haar vertrek naar Nederland geruime tijd niet meer met eiseres samenwoont. Ook heeft verweerder betrokken dat referente financiële ondersteuning biedt, maar dat niet is gebleken dat dit niet (op afstand) kan worden voortgezet. Dat sluit echter niet uit dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.
9. Verweerder heeft onvoldoende meegewogen dat de medische situatie van eiseres zeer ernstig is. Zij heeft diabetes, hypertensie, de ziekte van Crohn en zij heeft twee beroertes gehad, waardoor de medische situatie van eiseres is verslechterd. Het is niet onbegrijpelijk dat eiseres en referente zich op het standpunt stellen dat het plotselinge herseninfarct van eiseres op 7 juli 2024 een kantelpunt is geweest, waardoor referente is teruggegaan naar Marokko en nu anderhalf jaar bij haar moeder inwoont om noodzakelijke zorg en steun te verlenen. De rechtbank begrijp dat referente, ondanks haar keuze om 27 jaar geleden naar Nederland te komen en hier een gezin te stichten, als enig kind van eiseres zich verantwoordelijk voelt voor haar moeder.
10. Verweerder gaat eraan voorbij dat referente het enige kind van eiseres is en dat er geen andere familieleden zijn die voor eiseres kunnen zorgen. De broers en zussen van eiseres zijn zelf op hoge leeftijd. Daarbij heeft eiseres aangevoerd dat een van haar boers dementie heeft, dat er met de andere broer geen contact is en dat de zussen van eiseres in Frankrijk wonen. Niet valt in te zien waarom eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de broers en zussen van eiseres haar niet kunnen ondersteunen. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 [3] en de rechtbank Roermond van 23 juli 2024 [4] waarin is geoordeeld dat verweerder een zwaarwegend maar geen doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat andere familieleden of derden de benodigde zorg verlenen. Exclusiviteit van de afhankelijkheid is niet doorslaggevend.
11. Gelet op het voorgaande kan dus niet zonder meer worden gezegd dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente.
12. Het besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens een ondeugdelijke motivering. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen, waarin de bovengenoemde feiten en omstandigheden worden betrokken en deze in onderlinge samenhang met betrekking tot de afhankelijkheidsrelatie worden meegewogen.
13. De overige beroepsgronden worden daarom niet verder besproken.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er tussen eiseres en referente geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
15. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] .
16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
17. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van €194,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiseres;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 194,- aan griffierechten aan eiseres.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
3.Uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:996.
4.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11431.
5.Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.