ECLI:NL:RBDHA:2025:24855

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.21796
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en beoordeling middelenvereiste in het bestuursrecht

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiseres, een Syrische vrouw, tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De aanvraag werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie, die stelde dat eiseres niet voldeed aan het middelenvereiste. Dit besluit volgde op een eerdere afwijzing van een aanvraag door de stiefzoon van eiseres in het kader van nareis. De rechtbank behandelt de argumenten van eiseres, die aanvoert dat de afwijzing onterecht is omdat verweerder het middelenvereiste te rigide toepast en niet voldoende rekening houdt met bijzondere omstandigheden. Eiseres betoogt dat de belangenafweging in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat haar echtgenoot, referent, in een onmogelijke positie komt te verkeren tussen zijn kinderen en eiseres. De rechtbank oordeelt echter dat de minister op goede gronden heeft gesteld dat referent niet aan het middelenvereiste voldoet en dat er geen reden is om van de beleidsregels af te wijken. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen vergoeding van proceskosten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21796

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder. Verder was aanwezig een zoon van referent.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Syrische nationaliteit. De echtgenoot van eiseres, [naam 1] (referent), heeft op 17 januari 2024 voor eiseres een aanvraag voor een mvv ingediend voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ bij referent.
4. Voorafgaand aan deze aanvraag heeft [naam 2], de stiefzoon van eiseres, die in november 2021 een asielvergunning heeft gekregen, in het kader van nareis op 14 december 2021 een mvv aangevraagd voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ voor zijn stiefmoeder, vader en zijn broertjes en (half)zusjes. Die aanvraag voor de stiefmoeder (eiseres) is afgewezen. De vader (referent) van wie de aanvraag destijds wel is toegewezen, heeft daarna de voorliggende aanvraag voor eiseres ingediend.
5. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet aan de voorwaarden voldoet. Eiseres voldoet namelijk niet aan het middelenvereiste en valt niet onder één van de vrijstellingsgronden daarvoor. Verweerder ziet ook geen reden om door bijzondere omstandigheden van de beleidsregels af te wijken. [1]
Wat vindt eiseres in beroep?
6. Eiseres betoogt dat verweerder het middelenvereiste op een onjuiste en te rigide wijze toepast door te stellen dat referent daar niet aan voldoet omdat hij een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet. Het is daarbij mede aan verweerder om actief te onderzoeken of er sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan vrijstelling van het middelenvereiste gerechtvaardigd is. Het ontbreken van bewijs mag niet automatisch leiden tot afwijzing zonder nadere motivering en/of te horen in bezwaar. Verweerder stelt daarnaast ten onrechte dat de aanvraag van 17 januari 2024 te laat is ingediend en dat de eerdere aanvraag van 14 december 2021 niet zou meetellen. Bij de driemaandentermijn voor nareis dient te worden gekeken naar de intentie tot gezinshereniging en de feitelijke omstandigheden. Als een eerdere aanvraag is ingediend vóór het verkrijgen van de asielvergunning, maar in het verlengde ligt van gezinshereniging, kan dit onder omstandigheden de termijn veiligstellen. Verweerder miskent daarbij dat referent pas na 14 december 2021 in het bezit kwam van een verblijfsvergunning, waardoor de termijn dus nog niet kon aanvangen op dat moment. Verder stelt verweerder ten onrechte dat er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. Daarbij is de belangenafweging in strijd met artikel 8 van het EVRM [2] , omdat referent in de onmogelijke positie terecht zal komen waarin hij zal moeten kiezen tussen zijn kinderen en eiseres. Ook heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eiseres, dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
8. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt mogen stellen dat referent niet aan het middelenvereiste voldoet en dat hij niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan, waardoor het middelenvereiste aan eiseres kan worden tegengeworpen. Referent heeft een uitkering op grond van de Participatiewet en niet is gebleken dat referent arbeidsongeschikt is en niet is vastgesteld dat hij blijvend niet aan de sollicitatieplicht kan voldoen. Ook volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat referent geen nareistermijn voor eiseres heeft veiliggesteld. De mvv-aanvraag van 14 december 2021 is namelijk door de stiefzoon van eiseres ingediend, referent was op dat moment niet in het bezit van een verblijfsvergunning. Verweerder heeft daaruit mogen concluderen dat referent zelf geen nareistermijn voor eiseres heeft veiliggesteld. Eiseres/referent kan dus niet op grond daarvan vrijgesteld worden van het middelenvereiste.
9. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat referent een uitkering ontvangt in het kader van de Participatiewet. Daarbij heeft verweerder mogen meewegen dat het de eerste toelating van eiseres betreft en dat er geen belemmering bestaat voor eiseres en referent om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. Referent heeft immers geen asielvergunning, maar zelf een nareisvergunning. Verweerder heeft ook in het nadeel van eiseres mogen meewegen dat haar banden met Syrië sterk zijn, nu zij daar heel haar leven woont.
10. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder eiseres niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [3] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.