ECLI:NL:RBDHA:2025:24853
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van asielaanvraag wegens gebrek aan procesbelang na vertrek met onbekende bestemming
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 26 september 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Op 3 december 2025 heeft de rechtbank, met instemming van de partijen, het onderzoek gesloten zonder dat een zitting plaatsvindt. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd en met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een dergelijke melding mag een beroep dus niet-ontvankelijk verklaard worden vanwege gebrek aan belang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland.
Eiser heeft op 28 november 2025 de opvang met onbekende bestemming verlaten. Op 1 december 2025 heeft eisers gemachtigde desgevraagd aangegeven dat zij geen contact meer heeft met hem. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep. Het beroep is niet-ontvankelijk en eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.