Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:24753

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.60422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 19 september 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst en verklaarde deze rechtmatig in uitspraken van 10 oktober en 14 november 2025.

Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank sloot het vooronderzoek op 16 december 2025 en bepaalde dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

De rechtbank beoordeelde uitsluitend de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel sinds 7 november 2025. Eiser bracht geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren en zijn gronden waren niet onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend handelde en dat er zicht is op uitzetting naar Marokko.

Ambtshalve zag de rechtbank geen reden om de maatregel als onrechtmatig te beschouwen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60422

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. De minister heeft op 19 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 10 oktober 2025 [1] en op het eerste vervolgberoep heeft zij beslist met haar uitspraak van 14 november 2025. [2]
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 16 december 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [3]

Overwegingen

Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.1.
Uit de uitspraak van 14 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 7 november 2025) rechtmatig is.
Gronden
3. Eiser heeft geen (nadere) gronden ingediend nadat de minister de voortgangsrapportage heeft overgelegd. Bij het indienen van het beroepschrift heeft eiser als gronden van beroep naar voren gebracht dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd. Daarnaast handelt de minister volgens eiser onvoldoende voortvarend en bestaat er geen zicht op uitzetting binnen afzienbare tijd.
3.1.
Deze niet onderbouwde beroepsgronden slagen niet. De stelling dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen, ligt in het vervolgberoep niet ter toetsing voor. Deze gronden zijn al getoetst in de uitspraak van 10 oktober 2025. Datzelfde geldt voor de vraag of de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft geen wijzingen in feiten of omstandigheden naar voren gebracht zodat de rechtbank daarover nu niet anders hoeft te oordelen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister met het voeren van een vertrekgesprek op 21 november 2025 en het schriftelijk rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten op de status van de aanvraag om een laissez-passer op 17 november 2025 voldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser heeft ook verder niet onderbouwd waarom dit onvoldoende voortvarend zou zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat geen zicht op uitzetting bestaat. In het algemeen wordt namelijk zicht op uitzetting naar Marokko aangenomen en eiser heeft niets naar voren gebracht waarom in zijn geval geen zicht op uitzetting zou bestaan.
Ambtshalve toets
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 10 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18697.
2.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 14 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21518.
3.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).