ECLI:NL:RBDHA:2025:24724

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
AWB 25/2825 en AWB 25/2826
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking bestreden besluit in vreemdelingenzaak

Op 2 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een verzoeker die een aanvraag had ingediend voor een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan. De minister van Asiel en Migratie had deze aanvraag aanvankelijk afgewezen, maar trok later het bestreden besluit in, waarna de verzoeker een voorlopige voorziening vroeg om het beroep in Nederland af te wachten. De rechtbank oordeelde dat de minister niet tegemoetgekomen was aan de verzoeker, omdat het besluit was ingetrokken wegens veranderde omstandigheden. Hierdoor was er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank verklaarde het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en wees het verzoek om proceskosten af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/2825 en AWB 25/2826
uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter van 2 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.G. Evers),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).

Inleiding

1. Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een document waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt (als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, de Vw).
2. De minister heeft deze aanvraag afgewezen met het besluit van 21 april 2022 (het primaire besluit). Daarna heeft de minister met het besluit van 6 december 2022 het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft het beroep met de uitspraak van 22 augustus 2023 gegrond verklaard. [1]
3. Vervolgens heeft de minister met het besluit van 5 december 2023 het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is echter ingetrokken met de brief van 26 augustus 2024.
4. De minister heeft met het besluit van 15 januari 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker wederom ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hier beroep tegen ingesteld. Ook heeft hij een voorlopige voorziening ingediend om het beroep in Nederland te mogen afwachten.
5. De minister heeft met de brief van 4 september 2025 meegedeeld dat het bestreden besluit wordt ingetrokken. Daarna heeft de minister op 16 september 2025 een nieuw besluit genomen waarmee het bezwaar gegrond is verklaard en aan verzoeker een verblijfsdocument is toegekend (geldig vanaf 21 februari 2025) met een geldigheidsduur van vijf jaar.
6. Vervolgens heeft verzoeker het beroep met de e-mail van 18 september 2025 ingetrokken, maar wel verzocht de minister te veroordelen in de gemaakte proceskosten. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding.
7. Na verkregen toestemming van partijen heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank/ voorzieningenrechter

8. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
9. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak enkel nog voorligt of de minister in het kader van het ingestelde beroep geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen is aan verzoeker. Van tegemoetkomen is geen sprake als een in beroep bestreden besluit is gewijzigd – of ingetrokken – wegens veranderde omstandigheden. [2]
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval niet tegemoetgekomen is aan het beroep van verzoeker. Volgens de beroepsgronden van 5 maart 2025 is op 21 januari 2025 door verzoeker een verzoek gedaan om het gezag over zijn minderjarige kind te herstellen, op grond van artikel 1:277 van het BW. [3] Op 21 februari 2025 is bij uitspraak van de rechtbank het gezamenlijk gezag weer toegekend. In de beroepsgronden van 5 maart 2025 wordt verwezen naar deze beschikking, met de stelling dat gelet daarop de situatie tussen verzoeker en zijn zoon zodanig is dat niet gesproken kan worden van slechts een marginale uitvoering van zorgtaken. De minister heeft gelet op het in de beroepsfase door de rechtbank vastgestelde gezamenlijk gezag het bestreden besluit van 15 januari 2025 ingetrokken en het besluit van 16 september 2025 genomen. Dit is een veranderde omstandigheid die zich vóór of tijdens het nemen van het bestreden besluit niet voordeed. De minister is met de intrekking van het bestreden besluit dan ook niet tegemoetgekomen aan verzoeker en daarom is er geen plaats voor vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten.
11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, doordat het beroep is ingetrokken is niet langer sprake is van connexiteit. [4]
12. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank/voorzieningenrechter:
  • verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
rechter/ voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak staat voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 augustus 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4330.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:180.
3.Burgerlijk Wetboek.
4.Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.