ECLI:NL:RBDHA:2025:24717

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.52285
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van asielaanvraag wegens overdracht aan Zweden op basis van Dublinverordening

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 11 december 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure waarbij de eisende partij, van Armeense nationaliteit, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd. De aanvraag is door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op basis van de Dublinverordening. De eisende partij heeft beroep ingesteld, maar heeft de gronden van het beroep te laat ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eisende partij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bij overdracht aan Zweden een reëel risico bestaat op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige behandeling. De rechtbank heeft ook geen bijzondere omstandigheden gevonden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken, en heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank concludeert dat de eisende partij geen recht heeft op vergoeding van proceskosten, en dat de uitspraak openbaar is gemaakt. De eisende partij kan in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52285

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eisende partij

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Inleiding en procesverloop

Uit het dossier blijkt de wens van de eisende partij om te worden aangesproken met non-binaire voornaamwoorden. De rechtbank zal dit dan ook doen.
Bij besluit van 22 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van de eisende partij tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De eisende partij heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en op 4 november 2025 de gronden van het beroep en gronden over de termijnoverschrijding ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de eisende partij en de gemachtigde van verweerder. De eisende partij was niet aanwezig omdat hen al aan Zweden is overgedragen.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
De eisende partij stelt van Armeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum] 1996.
1.2.
Uit het door de eisende partij overgelegde verblijfsdocument blijkt dat Zweden een
verblijfsdocument aan hen heeft verleend met een geldigheidsduur van
6 maart 2025 tot 15 december 2024. Het verblijfsdocument was minder dan twee jaar verlopen ten tijde van de asielaanvraag van de eisende partij in Nederland. Nederland heeft daarom op 15 augustus 2025 de autoriteiten van Zweden verzocht om de eisende partij over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Op 20 augustus 2025 zijn de autoriteiten van Zweden hiermee akkoord gegaan.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van de eisende partij met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Zweden op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat de eisende partij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hen bij overdracht aan Zweden een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft de eisende partij volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om hun asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
De ontvankelijkheid van het beroep
Is het beroep ontvankelijk op grond van de nationale procedureregels?
3. De (gemachtigde van de) eisende partij heeft op 27 oktober 2025 een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift bevat geen gronden van beroep. Diezelfde dag heeft de rechtbank (de gemachtigde van) de eisende partij in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen, dus uiterlijk op 3 november 2025, te beschrijven wat de gronden van het beroep zijn. Daarbij is vermeld dat de termijn niet wordt verlengd en dat de rechtbank de zaken niet-ontvankelijk kan verklaren als de gevraagde informatie niet wordt ingediend. Bij bericht van 4 november 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat er binnen de gegeven termijn geen gronden van beroep zijn ingediend en (de gemachtigde van) de eisende partij in de gelegenheid gesteld om aan te geven wat de reden hiervan was. Diezelfde dag heeft (de gemachtigde van) de eisende partij laten weten dat hij bij ontvangst van het bericht van
4 november 2025 onmiddellijk had gekeken of hij een bericht over deze zaak in zijn mailbox had dat dit niet het geval was. Hij heeft screenshots gemaakt van de inbox en de prullenbak van Basenet (zijn digitale dossier) op 27 november 2025. Het is hem niet duidelijk waarom er in dit geval geen e-mail is verstuurd dan wel waarom deze niet is ontvangen.
3.1.
De rechtbank heeft hierop technisch onderzoek laten verrichten. In het rapport staat: “Uit de exchange logging (onze mail server) is op te halen of een notificatiemail het landschap van de Rechtspraak ook daadwerkelijk heeft verlaten en naar welk emailadres. Hierin zien wij het volgende omtrent zaak NL25.52285: op 27 oktober 2025 om 14:36:54 uur is er een notificatiebericht met titel “NL25.52285: Informatieverzoek (Rotterdam)” vanuit de rechtbank verstuurd naar [het e-mailadres van de gemachtigde van de eisende partij]”. Ook kwam uit het onderzoek dat er geen verstoringen waren die dit proces beïnvloedden.
3.2.
Een beroepschrift moet ten minste de gronden van het beroep bevatten en kan
anders niet-ontvankelijk worden verklaard. De indiener moet dan wel de gelegenheid
hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde (herstel)termijn.
Dit volgt uit artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in samenhang met artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank gaat in
een geval als dit alleen over tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep als de te late
indiening van de beroepsgronden niet verschoonbaar is (zie artikelen 8.6, 8.9 en 2.4, derde
lid, aanhef en onder c, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken van
1 januari 2025).
3.3.
De rechtbank stelt vast – en dit staat tussen partijen ook niet ter discussie – dat
de eisende partij de gronden van beroep niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft ingediend. In bepaalde gevallen moeten bestuursrechters bij de beoordeling van de
verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening houden met bijzondere
omstandigheden die de indiener van het beroepschrift betreffen. Dit volgt uit recente
rechtspraak, bijvoorbeeld van de grote kamer van het College van Beroep voor het
bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, en de uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1871, onder 11.1. Zulke bijzondere omstandigheden zijn in dit geval echter niet gesteld of gebleken (zie ook hiervoor onder 3.). Daarom is de te late indiening niet verschoonbaar en bestaat er in beginsel aanleiding om het beroep van de eisende partij niet-ontvankelijk te verklaren met toepassing de nationale procedureregels (artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb in verbinding met de hiervoor vermelde bepalingen in het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken).
Moet van niet-ontvankelijkverklaring worden afgezien op grond van het Bahaddar-arrest?
4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan onder bijzondere, op de
individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden de noodzaak bestaan om ter
voorkoming van schending van artikel 3 van het EVRM een in het nationale recht
neergelegde procedureregel niet tegen te werpen (Bahaddar-omstandigheden)(vgl. EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, Bahaddar tegen Nederland, paragraaf 45 en bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2024,
ECLI:NL:RVS:2024:5298). Daarvoor is vereist dat wat een vreemdeling heeft aangevoerd
en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij overdracht van die
vreemdeling artikel 3 van het EVRM zou schenden. De bestuursrechter moet beoordelen of
zulke bijzondere feiten of omstandigheden zich voordoen. Dat vergt een zelfstandige toets
van de bestuursrechter, die losstaat van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Deze
beoordeling moet worden verricht in het licht van het standpunt van verweerder over wat de
vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd en wat algemeen bekend is over het land van
waaraan de vreemdeling zal worden overgedragen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat wat de eisende partij heeft aangevoerd en overgelegd niet onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder artikel 3 van het EVRM zou schenden bij overdracht aan Zweden. De rechtbank licht dat hieronder toe.
4.2.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2157, volgt dat verweerder ten aanzien van Zweden nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit is ook niet in geschil. In wat de eisende partij heeft aangevoerd ziet de rechtbank verder onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat overdracht aan Zweden onmiskenbaar artikel 3 van het EVRM zou schenden. De rechtbank betrekt daarbij dat de stellingen van de eisende partij over hun redenen om in Nederland te willen blijven liggen in gebeurtenissen in Zweden (de onvrede over de operatie vanwege zijn liesbreuk en het feit dat de politie hem bij het verlies van zijn portemonnee niet in het Engels te woord wilde staan) en de emotionele banden met personen en/of gekozen familieleden in Nederland. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat de eisende partij (sterke) emotionele binding kan voelen met personen in Nederland, leidt dit niet onmiskenbaar tot het oordeel dat de overdracht aan Zweden in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Bovendien kan de eisende partij in Zweden nieuwe banden aangaan en hun Nederlandse banden in de toekomst onderhouden door middel van digitale communicatiemiddelen dan wel het over en weer bezoeken van deze personen gelet op de (relatieve) nabijheid van Zweden. Voorts gaat de rechtbank er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit dat Zweden de eisende partij, daar waar nodig, psychische ondersteuning en hulp zal bieden. Die heeft hij ook al eerder in Zweden gekregen, zo blijkt uit de stukken die hij heeft overgelegd. Voor zover de eisende partij problemen in Zweden ervaart – met de autoriteiten dan wel met de medische diensten aldaar – kan en mag van de eisende partij verwacht worden dat hen zich tot de (hogere) autoriteiten in Zweden wendt. De eisende partij heeft gesteld noch onderbouwd dat dit niet van hem verwacht mag worden. Dat de eisende partij zich op het standpunt stelt dat hen niet tevreden was met de medische behandeling in het ziekenhuis en op basis daarvan een ‘insurance claim’ heeft ingediend, maakt het voorgaande niet anders.
4.3.
Tot slot weegt de rechtbank in mee dat Zweden de eisende partij al eens een verblijfsdocument heeft verleend en Zweden het claimverzoek met betrekking tot de eisende partij op 20 augustus 2025 heeft geaccepteerd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de Zweedse autoriteiten het verzoek van de eisende partij om bescherming (inhoudelijk) zullen beoordelen, ook gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.4.
Niet is gebleken van Bahaddar-omstandigheden die maken dat de niet-ontvankelijkheid niet aan de eisende partij kan worden tegengeworpen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. De eisende partij krijgt geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van
mr.T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.