ECLI:NL:RBDHA:2025:24693

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/09/694317 / JE RK 25-1908
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een jeugdhulpaccommodatie

Op 21 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland betreffende de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2008. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 14 april 2026 en de voorwaardelijke machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlengd tot 27 februari 2026. De kinderrechter oordeelde dat deze maatregelen noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die zich in een kwetsbare situatie bevindt. De ouders van de minderjarige hebben ingestemd met de verzoeken van de gecertificeerde instelling, maar zijn bezorgd over de veiligheid van hun kind. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige positieve stappen heeft gezet in haar ontwikkeling, maar dat er ook zorgen zijn over haar gedrag en de invloed van haar omgeving. De kinderrechter heeft benadrukt dat het belangrijk is dat de minderjarige in een veilige omgeving blijft, waar zij kan werken aan haar zelfstandigheid en weerbaarheid. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694317 / JE RK 25-1908
Datum uitspraak: 21 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. D.M. Siemerink-Looten uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 november 2025;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 14 november 2025;
- het ondertekende hulpverleningsplan van de gecertificeerde instelling van
6 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met haar advocaat;
  • de vader;
- de moeder;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover - in aanwezigheid van haar advocaat - een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een groep bij [zorginstantie] , een accommodatie voor (gesloten) jeugdhulp.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder alsmede een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp tot 27 november 2025.

3.De verzoeken

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder de verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling alsmede om de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlengen voor de duur van drie maanden.
3.2.
De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 6 november 2025 de voorwaarden opgenomen en de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [minderjarige] op te nemen. Ook is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname.
3.3.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. [minderjarige] is de afgelopen periode in een voorwaardelijk gesloten setting begeleid door vaste hulpverleners. Dit heeft geleid tot een toename in stabiliteit en vertrouwen. Het gezin wordt begeleid door [instantie] , maar het is moeilijk om het gezin echt te bereiken. Er is sprake van afstand en soms afwijzing tussen [minderjarige] en haar ouders. Zij spreken hun liefde uit, maar stellen ook voorwaarden aan het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] is kwetsbaar en beïnvloedbaar. Ook vertoont zij soms extreem gedrag. De ouders zijn momenteel niet in staat om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en zij zijn bang dat [minderjarige] bij een terugkeer naar huis zal terugvallen in een oud patroon waarbij zij in onveilige situaties terechtkomt. Tijdens een systeemgesprek op 14 oktober 2025 tussen [minderjarige] , haar ouders en de betrokken hulpverlening, hebben de ouders definitief uitgesproken dat [minderjarige] niet meer thuis kan wonen. Dit was zwaar voor [minderjarige] . Positief is dat [minderjarige] geen middelen meer gebruikt en zich houdt aan afspraken met de begeleiding. [minderjarige] doet haar best op school en heeft een bijbaantje. [minderjarige] vertoont nog wel risicovol gedrag. Zo heeft zij, zonder dit direct te melden, online contact gehad met een jongen, omdat zij bang was voor de reactie van haar ouders. [minderjarige] heeft behoefte aan een omgeving waarin zij zich gesteund voelt. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] de komende tijd in een veilige, gesloten omgeving beschermd wordt tegen schadelijke invloeden van buitenaf, zodat haar positieve ontwikkeling bestendigd kan worden en gewerkt kan worden aan haar zelfstandigheid, weerbaarheid en toekomstperspectief. Een voorwaardelijk gesloten machtiging biedt [minderjarige] de mogelijkheid om verdere stappen te zetten in haar ontwikkeling, met behoud van stabiliteit en begeleiding. Hiermee wordt de kans vergroot op een succesvolle doorstroom naar een passende open setting. De voorkeur gaat uit naar een gezinshuis, omdat [minderjarige] zich alleen voelt zonder vertrouwde volwassenen om haar heen. Ook wordt er nu gekeken naar een mogelijkheid waarbij [minderjarige] eerst naar een behandelgroep gaat en daarna kan doorstromen naar een kamertrainingscentrum. [minderjarige] zal aangemeld worden voor een jongerencoach en de verwachting is dat die snel kan starten.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] verzet zich niet tegen de verzoeken. Wel gaat het de laatste weken wat minder goed met [minderjarige] . Het nieuws dat zij niet terug kan naar haar ouders, heeft haar erg verdrietig gemaakt. Daarnaast is een aantal begeleiders, onder wie haar mentor met wie [minderjarige] een goede klik had, niet meer werkzaam bij [zorginstantie] . [minderjarige] wil daarom graag naar een vervolgplek toe. Ook wil [minderjarige] graag met een volwassene kunnen praten, omdat er nu geen volwassene meer is met wie zij een vertrouwensband heeft. [minderjarige] is blij dat de jeugdbeschermer een jongerencoach gaat inzetten. Momenteel komen de ouders van [minderjarige] niet op bezoek, omdat [minderjarige] wil voorkomen dat zij ruzie krijgen en zij dan dingen zegt waar zij spijt van krijgt. Wel is er nog telefonisch contact. [minderjarige] vindt het soms lastig om eerlijk te zijn tegen begeleiding, omdat zij bang is voor de reactie van haar ouders. [minderjarige] is zich er wel van bewust dat zij open moet zijn over haar telefoongebruik en haar contacten en zij zal dit in het vervolg ook zijn. [minderjarige] doet het goed op school en heeft een bijbaan. Bij dramatherapie heeft [minderjarige] geleerd om haar emoties te benoemen en werkt zij nu aan haar zelfbeeld. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat zij doorstroomt naar een vervolgplek waar zij zich niet nog meer alleen zal voelen en waar zij kan werken aan haar zelfstandigheid.
4.2.
De moeder stemt in met het verzochte. De moeder is blij en trots op [minderjarige] , omdat zij mooie stappen heeft gezet. Helaas denkt de moeder dat zij en de vader niet in staat zijn om op dit moment haar veiligheid te waarborgen. Dit komt onder andere doordat [minderjarige] recent contact heeft gehad met iemand die een enkelband draagt. Het is van belang dat [minderjarige] de juiste keuzes maakt, zodat het vertrouwen van de ouders in haar hersteld kan worden. Verder is de moeder erg blij met de gezinscoach die vanuit verschillende gezichtspunten met iedereen in gesprek gaat. De gezinscoach is onder meer met de moeder in gesprek over wat zij kan doen om de communicatie tussen haar en [minderjarige] te verbeteren.
4.3.
De vader sluit zich bij het standpunt van de moeder aan. Hij vindt het heel moeilijk dat [minderjarige] niet thuis woont, maar de vader vindt het belangrijker dat [minderjarige] veilig is. De vader is blij dat [minderjarige] nu op een goede plek verblijft en dat er dingen voor haar geregeld worden. De vader begrijpt het gevoel van [minderjarige] wel heel goed. De vader is van mening dat de gezinscoach het goed doet en er vindt wekelijks een gesprek plaats met hem en de moeder. Met [minderjarige] worden momenteel aparte gesprekken gevoerd. De vader ziet in dat er in het verleden er dingen misgegaan zijn in de communicatie. Hij wil werken aan het verbeteren van de communicatie en het herstel van het wederzijdse vertrouwen.

5.De beoordeling

Machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
De kinderrechter is blij te horen dat [minderjarige] in de afgelopen periode opnieuw een aantal positieve stappen heeft gezet. Zo werkt zij aan zichzelf door middel van therapie en heeft zij duidelijk voor ogen welke opleiding zij uiteindelijk wil gaan volgen. Ook heeft zij zelf een nieuwe bijbaan geregeld nadat zij vanwege een vervelende sfeer bij haar huidige bijbaan ontslag heeft genomen. Hierbij heeft [minderjarige] laten zien dat zij voor zichzelf op kan komen. Zij houdt zich aan de afspraken en heeft steeds meer vrijheden gekregen. Ook heeft zij vooruitgang geboekt waar het gaat om haar zelfstandigheid en het betrachten van openheid tegenover haar begeleiders. [minderjarige] heeft in de afgelopen weken echter ook een teleurstelling te verwerken gekregen nu duidelijk geworden is dat zij niet naar huis kan terugkeren. Door een gebrek aan wederzijds vertrouwen tussen [minderjarige] en haar ouders is het voor haar niet mogelijk om bij haar ouders te verblijven. Dit valt [minderjarige] zwaar en maakt dat zij zich alleen voelt staan. [minderjarige] wil dan ook graag doorstromen naar een vervolgplek waar zij zich gesteund voelt. De jeugdbeschermer is op dit moment op zoek naar een passende vervolgplek voor [minderjarige] , op een open groep, in een gezinshuis of in kamertrainingsprogramma. Totdat een geschikte plek gevonden is, zal [minderjarige] op de huidige groep bij [zorginstantie] blijven. Van daaruit kan [minderjarige] haar vrijheden verder opbouwen en verder werken aan haar weerbaarheid en zelfstandigheid. De kinderrechter wijst daarom het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toe.
5.3.
De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Buiten de gesloten accommodatie kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [2]
5.4.
Zoals hiervóór onder 5.2 overwogen, heeft [minderjarige] de afgelopen periode mooie stappen gezet. Tegelijkertijd zijn er, gelet op de gebeurtenissen in het recente verleden, ook nog grote zorgen over [minderjarige] . Zo heeft zij onlangs opnieuw contact met een jongen gehad zonder dat zij daarover open is geweest naar haar begeleiders. Het is van belang dat [minderjarige] open durft én kan zijn over haar contacten om te voorkomen dat zij (opnieuw) in gevaarlijke situaties terecht komt. [minderjarige] is de afgelopen tijd haar volwassen vertrouwenspersonen verloren en het is belangrijk dat zij zo snel mogelijk een jongerencoach krijgt. Zoals hiervóór reeds benoemd is het feit dat [minderjarige] niet naar huis kan terugkeren voor haar een grote teleurstelling geweest. De kinderrechter kan zich voorstellen dat dit ook invloed heeft op de voorzichtig positieve ontwikkeling van [minderjarige] . Het is van belang dat deze positieve ontwikkeling doorzet en voorkomen moet worden dat [minderjarige] terugvalt in zorgwekkend en gevaarlijk gedrag. Het is daarom noodzakelijk dat [minderjarige] de komende tijd de kaders van een voorwaardelijke machtiging in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp behoudt om haar te beschermen en haar de mogelijkheid te bieden zich, met behulp van die kaders, verder positief te ontwikkelen. Gedurende deze periode moet er gezocht worden naar een passende vervolgplek voor [minderjarige] waar zij voldoende steun ervaart en tegelijkertijd verder kan werken aan het maken van goede keuzes en het vergroten van haar zelfstandigheid.
5.5.
[minderjarige] heeft kenbaar gemaakt de jeugdhulp te aanvaarden, zoals opgenomen in het overgelegde hulpverleningsplan.
5.6.
De kinderrechter verlengt de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van
een jeugdhulpaanbieder tot 14 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verlengt de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 27 november 2025 tot 27 februari 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025 door
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 12 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
2.Artikel 6.1.4, twaalfde lid jo. tweede lid, Jeugdwet (Jw).