ECLI:NL:RBDHA:2025:24681

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/09/692102 / JE RK 25-1658
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onderzoek naar ondertoezichtstelling van minderjarige met ernstige ontwikkelingsbedreigingen

Op 21 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2021. Het verzoek tot ondertoezichtstelling is ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden, en is gesteund door zowel de vader als de moeder van [minderjarige 1]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1], die onder andere een forse taalachterstand vertoont en moeite heeft met sociale interacties. De ouders hebben een complexe relatie, met meldingen van huiselijk geweld en spanningen die de zorg voor [minderjarige 1] beïnvloeden.

De kinderrechter heeft in zijn beoordeling de noodzaak van ondertoezichtstelling onderbouwd door te verwijzen naar de problematiek die [minderjarige 1] ervaart, alsook de onduidelijkheid over de woonsituatie van de moeder en de praktische problemen rondom de zorgregeling. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de inzet van gedwongen hulpverlening noodzakelijk is om de ontwikkeling van [minderjarige 1] te waarborgen. De beslissing om [minderjarige 1] onder toezicht te stellen is genomen met het oog op het bieden van de benodigde zorg en ondersteuning, en de kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling vastgesteld voor de duur van één jaar, tot 21 november 2026.

De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken, met de mogelijkheid voor hoger beroep binnen drie maanden na de uitspraak. De schriftelijke uitwerking van de beschikking is op 5 december 2025 vastgesteld. De kinderrechter heeft de Raad en de gecertificeerde instelling verzocht om aandacht te besteden aan de praktische problemen rondom de zorgregeling, zodat de vader op een haalbare manier contact kan hebben met [minderjarige 1].

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/692102 / JE RK 25-1658
Datum uitspraak: 21 november 2025

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 25 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad,
betreffende:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats], [land 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader],

hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Vurdelja te Den Haag.

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Spoek te [plaats 2].
De kinderrechter merkt als informant aan:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift
.
Op 21 november 2025 heeft op een zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel onderhavig verzoek als het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling, geregistreerd met het kenmerk C/09/681659 / FA RK 25-1815. Hierop zal in een afzonderlijke beschikking wordt beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door mr. L. Scheffers als waarnemend advocaat en een tolk:
D. Hailemariam;
  • [naam 1] namens de Raad;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1], [land 2].
  • De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
  • [minderjarige 1] verblijft feitelijk met de moeder op een opvanglocatie.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 in de procedure met zaaknummer C/09/681659) is – voor zover van belang –:
­ een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige 1] twee keer per week tenminste een uur contact heeft met de vader en dat de vader en [minderjarige 1] twee keer per week contact hebben via een videoverbinding, waarbij de moeder begeleiding moet toestaan bij het contact, als dit beschikbaar is;
­ de Raad verzocht een onderzoek te verrichten en de rechtbank te rapporteren en adviseren;

Verzoek

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de periode van één jaar.
De vader en de moeder hebben ingestemd met het verzoek.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 1] op dit moment ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling. Uit het raadsrapport en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat deze zorgen allereerst zijn gelegen in kindeigen-problematiek. [minderjarige 1] heeft een forse taalachterstand en het maken van contact verloopt moeizaam. Ze heeft woedeaanvallen en kan niet goed aansluiten bij leeftijdsgenootjes. De achterliggende oorzaak moet nog worden onderzocht. [minderjarige 1] kon op de [instantie 1] onvoldoende meekomen en ze is doorverwezen naar [instantie 2]. Door het vertrek van de moeder naar een vrouwenopvang is dit niet van de grond gekomen. In de komende periode moet diagnostiek plaatsvinden en gerichte hulpverlening worden ingezet. Daarbij moet ook worden gekeken naar een passende plek op een school of dagbesteding.
Daarnaast speelt problematiek tussen de ouders. De moeder is in 2024 met [minderjarige 1] vertrokken naar een blijf-van-mijn-lijf-huis in [plaats 2]. Zij kan hier maar tijdelijk verblijven en het is onduidelijk wanneer en waar de moeder een woning zal krijgen. De moeder stelt dat sprake is geweest van huiselijk geweld en vreest voor haar veiligheid. De vader ontkent dit, maar erkent wel dat er spanningen waren in de relatie. Het onderlinge contact verloopt moeizaam. In augustus hebben de ouders opnieuw een zoontje gekregen: [naam 3]. Hij is kort na de geboorte overleden. Dit heeft de al beladen relatie tussen de ouders verder aangetast.
Door de rechtbank is in de procedure met zaaknummer C/09/681659 een voorlopige zorgregeling vastgesteld, maar hierbij is hulpverlening of begeleiding niet van de grond gekomen. Daarnaast spelen bij de uitvoer van de zorgregeling praktische en financiële problemen: de vader heeft hoge reiskosten, terwijl hij op bijstandsniveau leeft en bij de opvanglocatie van de moeder is – voor zover bekend – geen geschikte omgangsruimte aanwezig. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling daarom aandacht te besteden aan deze praktische problematiek, zodat de vader op een haalbare en prettige plek contact kan hebben met [minderjarige 1].
Hoewel de beide ouders de problematiek van [minderjarige 1] onderkennen en zij openstaan voor hulpverlening, komt de benodigde zorg en hulpverlening onvoldoende van de grond. De oorzaak hiervoor ligt deels in de verhuizing van de moeder, waardoor hulpverlening in de oude regio is gestaakt, maar ook vanwege de complexiteit van de zorgen en een taal- en cultuurbarrière. De inzet van het gedwongen kader is daarom noodzakelijk en de duur van een jaar is vereist om tot een duurzame verandering te kunnen komen.
Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats], [land 1] van 21 november 2025 tot 21 november 2026 onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025 door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Boekema als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 december 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.