6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetaanranding van een destijds dertienjarige jongen. De verdachte heeft in een volle trein meer dan tien minuten (over de onderbroek) de penis van die jongen betast en erover gewreven. Dit is een ernstig feit, waarmee de verdachte een ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat jeugdige slachtoffers van zedendelicten daar vaak nog geruime tijd negatieve gevolgen van ondervinden. Uit de spreekrechtverklaring van de moeder van het slachtoffer komt indringend naar voren hoe groot de impact van het gebeurde is. Het slachtoffer schaamt zich voor wat er is gebeurd, hij voelt zich er schuldig over en hij voelt spanning als hij weer met de trein reist. Ook heeft het handelen van de verdachte hem aangetast in zijn onschuld en in zijn vertrouwen in de medemens. Bovendien heeft het gebeurde zijn weerslag op de andere gezinsleden. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn strafblad van 16 juni 2025. Hieruit volgt dat de verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte is toen onder meer veroordeeld tot een taakstraf, deels voorwaardelijke gevangenisstraffen met diverse kaders als bijzondere voorwaarden en lange proeftijden.
Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het geïntegreerd psychologisch en psychiatrisch Pro Justitia-rapport van 20 oktober 2025, opgesteld door drs. [naam 1] (GZ-psycholoog) en drs. [naam 2] (psychiater) en hun antwoorden op aanvullende vragen van de raadsvrouw d.d. 30 november 2025.
De psycholoog en psychiater concluderen dat de verdachte lijdt aan autisme, een pedofiele stoornis en een frotteurismestoornis. Daarnaast is sprake van persoonlijkheidsproblematiek met vermijdende trekken. De psycholoog en psychiater concluderen dat hiervan eveneens sprake was ten tijde van het plegen van het feit en dat de stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit beïnvloedden. Zij adviseren de rechtbank daarom het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De psycholoog en psychiater schatten het recidiverisico hoog in en achten behandeling en langdurige begeleiding noodzakelijk om het risico af te wenden. Zij adviseren een klinische start van de behandeling, gericht op nader onderzoek, het opstellen van een delictscenario, hernieuwde psycho-educatie over de beperkingen en problematiek van de verdachte, herziening van de libidoremmende medicatie en behandelinterventies gericht op de seksuele stoornissen. Vanwege het hoge recidiverisico, de ernst van het feit, de ingeschatte noodzaak van striktere kaders rondom behandeling en het feit dat eerdere behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel recidive niet heeft kunnen voorkomen, adviseren de psycholoog en psychiater de behandeling op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport dat de reclassering op 17 november 2025 over de verdachte heeft opgesteld. De reclassering heeft in haar rapport beschreven dat sprake is van een langdurig patroon van seksueel grensoverschrijdend gedrag, waarvoor de verdachte in het verleden meermalen onder toezicht van de reclassering heeft gestaan en waarvoor hij diverse ambulante behandelingen heeft gevolgd. Dit heeft niet geleid tot het gewenste resultaat. Mede daarom schat de reclassering het risico op recidive in als hoog.
De reclassering sluit zich aan bij het advies van de gedragsdeskundigen om behandeling op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden. De reclassering neemt hierbij onder meer in aanmerking dat de complexe diepgewortelde problematiek bij de verdachte een zorgvuldig afgestemde aanpak vraagt, dat de verdachte de ernst van zijn seksuele problematiek enigszins bagatelliseert en relativeert en dat de beschermende factoren rondom de verdachte dienen te worden vergroot.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank volgt deze conclusies en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit leed aan ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens en dat het feit verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend.
Gelet op het ziektebeeld en de problematiek van de verdachte, de aard en de ernst van het feit en het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een gevaar vormt voor de algemene veiligheid van personen. Nu ook overigens is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden zal de rechtbank de verdachte in lijn met het advies van de deskundigen en de reclassering de maatregel van tbs met voorwaarden opleggen.
Anders dan de verdediging heeft verzocht, zal de rechtbank ook de voorwaarde dat de behandeling start in een klinische zorginstelling aan de verdachte opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de deskundigen en de reclassering helder uiteengezet dat uitsluitend een ambulante behandeling een gepasseerd station is. Uit de rapporten volgt dat in een klinische setting nader onderzoek kan worden gedaan naar het delictscenario en beter kan worden gewerkt aan het vergroten van ziekte-inzicht en het bewerkstelligen van gedragsverandering dan in een ambulante setting. Gelet op het hoge recidiverisico achten alle rapporteurs het onverantwoord de noodzakelijke intensieve behandeling ambulant te laten plaatsvinden.
De rechtbank merkt op dat de verdachte bij de reclassering en ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zich zal conformeren aan de voorwaarde van klinische behandeling - en aan alle overige voorwaarden -, als de rechtbank deze aan hem oplegt.
Gelet op de ernst van het feit en het hoge recidiverisico zal de rechtbank toepassing geven aan het bepaalde in artikel 38, zesde lid, Sr, en zal zij bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Naast de tbs-maatregel zal de rechtbank de verdachte ook een gevangenisstraf opleggen. Gelet op de aard en de ernst van het feit, alsmede op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekening aan de verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Ook zal de rechtbank een GVM opleggen. De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van een GVM zoals opgenomen in artikel 38z, eerste lid, Sr, nu de verdachte ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in artikel 37a en het ter bescherming van de algemene veiligheid van personen nodig is dat na de tbs-maatregel gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden.
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis van de verdachte schorsen vanaf het moment dat de verdachte klinisch is opgenomen in een zorginstelling en aan de schorsing dezelfde voorwaarden verbinden als aan de tbs-maatregel. De schorsing van de voorlopige hechtenis en de daaraan te verbinden voorwaarden houden verband met de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier wordt de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.5).