ECLI:NL:RBDHA:2025:24582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
25/1664
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven en verrekening van immateriële schadevergoeding

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 6 november 2025, in de zaak tussen eiseres en het Schadefonds Geweldsmisdrijven, wordt het beroep van eiseres tegen de toegekende uitkering uit het Schadefonds beoordeeld. Eiseres had een aanvraag ingediend voor een uitkering na slachtoffer te zijn geworden van een inbraak en mishandeling door haar buurman op 20 september 2021. Het primaire besluit van 24 september 2024 wees haar aanvraag af, maar na bezwaar werd een tegemoetkoming van € 4.000,- toegekend op 5 februari 2025. Eiseres was het niet eens met de verrekening van een eerder toegekende immateriële schadevergoeding van € 1.000,- in de strafprocedure met de uitkering uit het Schadefonds.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de hoogte van de uitkering op goede gronden heeft vastgesteld. Eiseres had nieuwe medische informatie overgelegd die aantoont dat zij meer dan 20 gesprekken met haar psycholoog had gehad, wat haar recht op een hogere uitkering uit letselcategorie 3 bevestigt. De rechtbank legt uit dat de uitkering van het Schadefonds niet bedoeld is om de totale schade te vergoeden, maar een vangnet vormt voor slachtoffers. De dader moet de schade vergoeden, en als deze dat doet, wordt dit verrekend met de uitkering van het Schadefonds. De rechtbank concludeert dat de verrekening van de immateriële schadevergoeding met de uitkering rechtmatig was en dat het beroep van eiseres ongegrond is. Eiseres krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1664

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en

Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.B. Langerak).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toegekende uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het Schadefonds).
1.1.
Verweerder heeft het verzoek van eiseres om een uitkering uit het Schadefonds met het primaire besluit van 24 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en aan eiseres een tegemoetkoming van € 4.000,- toegekend.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn zonder berichtgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 16 november 2023 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds. Zij is op 20 september 2021 slachtoffer geworden van een inbraak door haar buurman. Hierbij is zij ook mishandeld. In het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de door eiseres overlegde medische informatie onvoldoende bleek in hoeverre haar psychische klachten zijn veroorzaakt door het geweldsmisdrijf. Omdat de behandeling van eiseres wel mede gericht was op de verwerking van het geweldsincident, vond verweerder een tegemoetkoming van € 1.000,- uit letselcategorie 1 passend. Verweerder heeft hierop de immateriële schadevergoeding van € 1.000,- die de dader van het geweldsincident op grond van het strafrechtelijke vonnis aan eiseres verschuldigd is, in mindering gebracht. Met het primaire besluit heeft verweerder daarom de aanvraag van eiseres afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. De hoogte van de uitkering is vastgesteld op € 4.000,-. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres tijdens de bezwaarprocedure nieuwe medische informatie heeft overlegd waaruit volgt zij zeker 20 gesprekken heeft gehad met haar psycholoog met als focus het geweldsmisdrijf dat plaatsvond op 20 september 2021. Gelet daarop vindt verweerder het aannemelijk dat de behandelingen het gevolg zijn van dit geweldsmisdrijf. Omdat verweerder op grond van de letsellijst een uitkering van letselcategorie 3 toekent als er 17 behandelingssessies of meer zijn geweest voor psychische klachten, bedraagt de uitkering in beginsel dus € 5.000,-. Hierop heeft verweerder de eerder al besproken immateriële schadevergoeding van € 1.000,- in mindering gebracht. Dit leidt dan tot een uitkering van een bedrag van € 4.000,-.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de aan haar bij het strafproces toegekende immateriële schadevergoeding van € 1.000,- niet in mindering mocht brengen op de toegekende uitkering uit letselcategorie 3. Een uitkering uit het Schadefonds is er namelijk op gericht om een slachtoffer een tegemoetkoming uit te keren en dus niet om een volledige schadevergoeding toe te kennen. De uitkeringen zijn door het Schadefonds forfaitair vastgesteld, waardoor het onduidelijk is op welk gedeelte van het letsel en op welke kosten deze betrekking hebben. Het is daarom niet mogelijk om de uitkering te verrekenen met een eerder toegekende immateriële schadevergoeding. Dit is volgens eiseres alleen mogelijk als vaststaat dat de som van de uitkering en de immateriële schadevergoeding de daadwerkelijke schade te boven gaat. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoogte van de aan eiseres toegekende uitkering uit het Schadefonds op goede gronden op € 4.000,- heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op grond van haar letsel in aanmerking komt voor een tegemoetkoming uit letselcategorie 3. Partijen zijn alleen verdeeld over de vraag of verweerder het bedrag van € 5.000,- mocht verminderen met de immateriële schadevergoeding van € 1.000,- die aan eiseres in de strafprocedure is toegekend.
6. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven wordt bij het doen van een uitkering rekening gehouden met de schadevergoeding die het slachtoffer langs burgerrechtelijke weg kan verhalen of heeft verhaald en met overige vergoedingen van schade die als gevolg van het misdrijf aan het slachtoffer zijn of kunnen worden verstrekt.
6.1.
Het uitgangspunt is dat de dader de schade aan het slachtoffer moet vergoeden; het Schadefonds vormt een vangnet. Wanneer de dader tot betaling overgaat, wordt dit verrekend met de uitkering van het Schadefonds. Bij de uitkering van het Schadefonds wordt niet gekeken naar de totale schade die het slachtoffer heeft geleden. Er worden vaste, forfaitaire bedragen toegekend. De uitkeringen zijn ook ongedifferentieerd. Niet bepaald is welke gedeelte van de uitkering bedoeld is voor welke schade. Berekening van de werkelijke schade is niet nodig nu het karakter van de uitkering van het Schadefonds de vorm van een tegemoetkoming heeft en de uitkering niet beoogt de totale schade te vergoeden. Voor zover de schadevergoeding die de rechter heeft toegekend ziet op immateriële schade of vermogensschade vindt verrekening plaats. [1]
6.2.
Het betoog van eiseres dat verweerder niet tot verrekening mocht overgaan omdat het onduidelijk is welk gedeelte van de uitkering op welk gedeelte van het letsel betrekking heeft, slaagt tegen deze achtergrond niet. Verdere bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot verrekening over mocht gaan, zijn gesteld noch gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder in het geval van eiseres het bedrag van € 1.000,- van de immateriële schadevergoeding in mindering brengen op de aan haar toegekende uitkering op grond van letselcategorie 3.
7. Van strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is de rechtbank
– zonder enige toelichting van eiseres – niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat verweerder de tegemoetkoming terecht op € 4.000 heeft vastgesteld. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van
mr.S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de memorie van toelichting bij artikel 6 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, Kamerstukken II 2018/19, 35041, nr. 3, p. 6-7 en ook de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven, onderdeel D.