Eiseres maakte bezwaar tegen de verlaging van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag over 2024, omdat haar dochter, die ouder is dan 27 jaar en wegens ziekte niet kan werken, als toeslagpartner was aangemerkt. Verweerder had de toeslagen herzien op basis van het feit dat de dochter op hetzelfde adres stond ingeschreven en de leeftijdsgrens had bereikt.
De rechtbank oordeelde dat de wetgever het partnerbegrip objectief heeft vormgegeven, waarbij feitelijke omstandigheden zoals inkomen of leefsituatie niet van belang zijn. Omdat zowel eiseres als haar dochter ouder dan 27 jaar zijn en samen met een minderjarig kind op hetzelfde adres staan ingeschreven, is de dochter terecht als toeslagpartner aangemerkt.
Eiseres stelde dat de terugvordering van teveel ontvangen zorgtoeslag gematigd moest worden vanwege bijzondere omstandigheden, maar de rechtbank vond dit niet aannemelijk en oordeelde dat de terugvordering niet onevenredig is. Wel was er een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit, omdat verweerder niet op de bezwaargronden was ingegaan. Dit gebrek werd hersteld in het verweerschrift en op zitting.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand, waardoor de herziening van de toeslagen geldig blijft. Eiseres kreeg een proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht terug.