ECLI:NL:RBDHA:2025:24555

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/6622
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 AwirArt. 7:2 AwbArt. 8:72 AwbArt. 1 AwirArt. 1 Wet zorgtoeslag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toeslagpartnerschap en motiveringsgebrek bij kindgebonden budget en zorgtoeslag

Eiseres maakte bezwaar tegen de verlaging van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag over 2024, omdat haar dochter, die ouder is dan 27 jaar en wegens ziekte niet kan werken, als toeslagpartner was aangemerkt. Verweerder had de toeslagen herzien op basis van het feit dat de dochter op hetzelfde adres stond ingeschreven en de leeftijdsgrens had bereikt.

De rechtbank oordeelde dat de wetgever het partnerbegrip objectief heeft vormgegeven, waarbij feitelijke omstandigheden zoals inkomen of leefsituatie niet van belang zijn. Omdat zowel eiseres als haar dochter ouder dan 27 jaar zijn en samen met een minderjarig kind op hetzelfde adres staan ingeschreven, is de dochter terecht als toeslagpartner aangemerkt.

Eiseres stelde dat de terugvordering van teveel ontvangen zorgtoeslag gematigd moest worden vanwege bijzondere omstandigheden, maar de rechtbank vond dit niet aannemelijk en oordeelde dat de terugvordering niet onevenredig is. Wel was er een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit, omdat verweerder niet op de bezwaargronden was ingegaan. Dit gebrek werd hersteld in het verweerschrift en op zitting.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand, waardoor de herziening van de toeslagen geldig blijft. Eiseres kreeg een proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6622

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J. van den Beldt),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [naam 1] en mr. H. Nieuwendijk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de verlaging van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag over 2024.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 22 maart 2024 het voorschot zorgtoeslag voor 2024 herzien en vastgesteld op € 0,- en het voorschot kindgebonden budget voor 2024 op € 2.436,-. Met het bestreden besluit van 21 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. Met de beschikking van 28 december 2023 is aan eiseres een voorschot zorgtoeslag van € 1.483,- en een voorschot kindgebonden budget van € 5.916,- verleend. Na uitvraag bij eiseres, is eiseres dochter ([naam 2]) als toeslagpartner aangemerkt omdat zij in 2024 op hetzelfde woonadres als eiseres stond ingeschreven en de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt. Hierop heeft verweerder de voorschotten herzien en de onder 1.1 genoemde besluiten genomen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Volgens eiseres kan haar dochter niet als haar toeslagpartner worden aangemerkt, omdat zij wegens ziekte niet kan werken en haar inkomen nihil is. Verweerder is hier in het bestreden besluit niet op in gegaan. Volgens verweerder is niet gebleken dat er omstandigheden zijn die aangemerkt kunnen worden als bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een eventuele terugvordering te matigen. Eiseres stelt dat verweerder er zonder onderbouwing voorbij gaat aan de bijzondere omstandigheden dat eiseres dochter studeert, wegens ziekte niet in staat is om te werken en dat zij geen inkomen geniet.
3.1.
Ten slotte stelt eiseres dat in het bestreden besluit staat dat zij niet op de uitnodiging voor een hoorzitting is ingegaan. Eiseres heeft op het bezwaarformulier juist aangegeven dat zij wil worden gehoord. Ondanks dit uitdrukkelijke verzoek heeft er geen hoorgesprek plaatsgevonden.
Wat zijn de regels?
4. Op het kindgebonden budget en de zorgtoeslag is het regime van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing. [1]
4.1.
In artikel 3 van Pro de Awir staat wie als toeslagpartner wordt aangemerkt. Op grond van artikel 3, tweede lid en onder e, van de Awir wordt als toeslagpartner aangemerkt degene die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven.
4.2.
Een uitzondering hierop staat in artikel 3, vijfde lid, van de Awir. Op grond daarvan wordt een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de belanghebbende niet als toeslagpartner aangemerkt, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt. [2]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is [naam 2] terecht als toeslagpartner aangemerkt?
5. Zoals de hoogste bestuursrechter eerder heeft overwogen heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij op grond van objectiveerbare gegevens wordt vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft. [3] De feitelijke omstandigheden van de leefsituatie en of een toeslagpartner financieel kan bijdragen, zijn hierbij niet van belang.
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat zowel eiseres, als haar dochter, [naam 2], ouder zijn dan 27 jaar en zij vanaf 1 januari 2024, samen met nog een minderjarig kind van eiseres, op het adres van eiseres staan ingeschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is [naam 2] daarom, gelet op het bepaalde in artikel 3 van Pro de Awir, met ingang van 1 januari 2024 terecht als toeslagpartner van eiseres aangemerkt.
Matigen terugvordering
6. Eiseres heeft op zitting betoogt dat een eventuele terugvordering gelet op het evenredigheidsbeginsel moet worden gematigd. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling [4] en betoogt dat de bijzondere omstandigheden van haar dochter wellicht niet afzonderlijk, maar wel in onderlinge samenhang tot matiging van de (eventuele) terugvordering moet leiden. Eiseres haar dochter woont vanwege haar medische situatie noodgedwongen thuis, zij telt mee in het huishouden en eiseres maakt kosten voor haar, maar kan door haar medische situatie niet financieel bijdragen.
6.1.
Op zitting heeft verweerder toegelicht dat op dit moment nog niet tot terugvordering is overgegaan, maar dat wel een terugvordering van € 369,- (voor teveel ontvangen zorgtoeslag) openstaat. Volgens verweerder maken de door eiseres aangedragen omstandigheden niet dat de terugvordering onevenredig is.
7. De terugvordering van de teveel ontvangen zorgtoeslag is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig. De rechtbank begrijpt dat dit een vervelende situatie is voor eiseres, maar er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om van de terugvordering af te zien of het bedrag van de terugvordering te matigen. Verweerder heeft, als eiseres de terugvordering niet kan betalen, verschillende betalingsregelingen waar eiseres desgevraagd gebruik van kan maken.
Hoorplicht
8. Uit artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat eiseres in de gelegenheid moet worden gesteld om te worden gehoord, voordat er een beslissing op het bezwaar wordt genomen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij ten onrechte niet is gehoord, terwijl zij dit wel expliciet heeft verzocht. Verweerder concludeert in het verweerschrift dat de hoorplicht inderdaad is geschonden. Hoewel er in de bezwaarfase telefonisch contact is geweest met de dochter van eiseres, is het verweerder niet gebleken dat dit telefonisch contact kan worden aangemerkt als hoorzitting, of dat er tijdens dit contact is aangegeven geen gebruik meer te willen maken van het recht te worden gehoord.
8.1.
Op zitting heeft verweerder toegelicht dat zij hier onterecht het boetekleed heeft aangetrokken en dat hier een stuk uit het dossier [5] over het hoofd is gezien. Ook de gemachtigde van eiseres heeft aangegeven dit stuk – na ontvangst van het dossier – te hebben gezien. Partijen refereren zich naar het oordeel van de rechtbank.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht niet geschonden. In de gespreksnotitie is duidelijk te lezen dat in het telefoongesprek met de dochter van eiseres is aangegeven dat wordt afgezien van een hoorzitting. Hoewel het telefoongesprek werd gevoerd met de dochter van eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit mocht opvatten als verklaring van eiseres. Op zitting heeft de gemachtigde van eiseres ook aangegeven dat hijzelf ook communiceert met eiseres via de dochter van eiseres.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
9. Eiseres stelt dat verweerder in het bestreden besluit niet expliciet op haar bezwaargronden heeft gereageerd. Verweerder heeft in het verweerschrift erkent dat sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. In het bestreden besluit is niet op de situatie van eiseres dochter ingegaan en is ook niets over de gevolgen van het toeslagpartnerschap voor de zorgtoeslag aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit inderdaad sprake van een gebrekkige en onzorgvuldige motivering. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het verweerschrift en op zitting alsnog voldoende toegelicht dat de (medische) situatie van eiseres dochter niet leidt tot een ander oordeel over het toeslagpartnerschap. Daarnaast heeft verweerder ook toegelicht dat de zorgtoeslag niet is komen te vervallen. Eiseres en [naam 2] hadden beiden een lopende aanvraag zorgtoeslag. Bij toeslagpartnerschap is er maar één aanspraak op zorgtoeslag. [6] De zorgtoeslag van eiseres is daarom herzien naar nihil en zij is als toeslagpartner van [naam 2] aangemerkt bij haar aanspraak. Het voorschot zorgtoeslag van [naam 2] is hierdoor herzien van € 1.483 naar € 2.833, gebaseerd op zorgtoeslag voor twee personen. Met deze motivering zijn de gebreken door verweerder hersteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat echter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat verweerder het voorschot zorgtoeslag en het voorschot kindgebonden budget mocht herzien omdat sprake is van fiscaal partnerschap.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres wel een vergoeding van haar proceskosten. Zij krijgt ook het door betaalde griffierecht terug. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en met wegingsfactor 1). Het betaalde griffierecht bedraagt € 51,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
mr.S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de artikelen 1, eerste en derde lid, van de Awir, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, juncto tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag en artikel 1, eerste lid, onderdeel b, juncto. tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget.
2.Dit artikel is per 1 januari 2025 gewijzigd. De 27-jaarsgrens is per die datum vervallen. Deze wijziging heeft geen terugwerkende kracht. Ten tijde van het bestreden besluit was de in overweging 4.2 genoemde wettekst van toepassing.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State (de Afdeling) van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3497.
4.De uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1943.
5.Document 13.2 in het dossier.
6.Zie artikel 2, eerste lid, laatste volzin, van de Wet zorgtoeslag.