Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:24418

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL25.59424
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArtikel 3 EVRMArtikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op ontduiking toezicht

Eiser, een Poolse vreemdeling, is op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld wegens het risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal belemmeren. De maatregel is gebaseerd op zowel zware als lichte gronden, waaronder het onrechtmatig verblijf en het niet naleven van vertrekverplichtingen.

Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, met name door het niet uitvoeren van vertrekhandelingen tijdens en na zijn strafdetentie. Tevens stelt hij dat zijn uitzetting naar Polen niet is getoetst aan artikel 3 EVRM Pro en artikel 7 Handvest Pro, zoals vereist volgens het arrest Adrar.

De rechtbank oordeelt dat de gronden voor de bewaring niet zijn bestreden en dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft. Hoewel verweerder tijdens de detentie geen vertrekhandelingen verrichtte, is dit een schending van de inspanningsverplichting, maar de belangenafweging rechtvaardigt de maatregel. De rechtbank stelt vast dat verweerder na detentie voortvarend heeft gehandeld met vertrekgesprekken, overdrachtsverzoek en vluchtboeking.

Ten aanzien van de toetsing aan artikel 3 EVRM Pro en artikel 7 Handvest Pro concludeert de rechtbank dat eiser geen bezwaren heeft ingebracht en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt voor Polen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59424

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 8 december 2025 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 10 december 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 12 december 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1979.
In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft namelijk geen vertrekhandelingen uitgevoerd tijdens eisers strafdetentie van 14 november 2025 tot en met 3 december 2025. Ook na 3 december 2025 heeft verweerder geen vertrekhandelingen uitgevoerd. Verder bestrijdt eiser dat hij onrechtmatig in Nederland zou zijn. Ook heeft verweerder ten onrechte niet getoetst of uitzetting van eiser naar Polen in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [1] en artikel 7 Handvest Pro. [2] Deze verplichting volgt uit het arrest Adrar. [3] Ten aanzien van de zware en lichte gronden refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt als volgt.
Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet zijn bestreden. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze gronden en de daarbij gegeven motivering de maatregel niet kunnen dragen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eiser wel degelijk onrechtmatig in Nederland verblijft. Bij besluit van 24 juni 2024 heeft eiser namelijk de plicht gekregen om uit Nederland te vertrekken en daarbij is niet gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.
Verder heeft verweerder in zijn beleid, hoofdstuk A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), neergelegd dat zoveel als mogelijk voorkomen moet worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden. Verweerder erkent dat gedurende de strafrechtelijke detentie van eiser geen uitzettingshandelingen zijn verricht. In zoverre is dan ook sprake van schending van de inspanningsverplichting. Maar dat betekent niet zonder meer dat de bewaring daarmee onrechtmatig is. Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [4] blijkt dat er in dat geval nog ruimte is voor een belangenafweging.
Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de gronden van de maatregel niet zijn betwist, dat deze de maatregel kunnen dragen en dat hieruit het risico volgt dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast is van belang dat eiser al geruime tijd de plicht heeft om uit Nederland te vertrekken en dat niet is gebleken dat eiser hier gehoor aan heeft gegeven. Uit de het dossier van eiser blijkt verder dat hij een zwervend bestaan leidt, overlast veroorzaakt en strafbare feiten pleegt. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Het betoog van eiser slaagt niet.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder bij brief van 10 december 2025 heeft aangegeven dat er op 4 december 2025 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser, dat op 5 december 2025 een overdrachtsverzoek is gestuurd naar Polen en op 8 december 2025 daarop een akkoord is gekomen en dat op 9 december 2025 een vlucht is geboekt. De rechtbank ziet geen reden aan deze feiten te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank handelt verweerder hiermee voldoende voortvarend.
Over de stelling dat verweerder niet heeft getoetst of de uitzetting naar Polen in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 7 Handvest Pro oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren naar voren te brengen. Tijdens dit gehoor, waarbij eiser onder een deken in zijn cel bleef liggen, heeft eiser geen omstandigheden in het kader van het arrest Adrar naar voren gebracht. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat eiser dit niet heeft betwist.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [5] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraken van 17 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:764 en 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2131.
5.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.