Eiseres, een Iraanse vrouw die werkzaam was voor Interpol, diende op 23 september 2022 een asielaanvraag in. Haar aanvraag werd op 17 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 december 2025.
Verweerder vond de identiteit van eiseres geloofwaardig, maar betwijfelde de geloofwaardigheid van haar verhaal over problemen vanwege haar werkzaamheden bij Interpol. Ook vond verweerder dat eiseres geen reëel risico liep vanwege haar afvalligheid en politieke activiteiten, omdat zij zich in Iran zou kunnen conformeren aan de heersende normen. Eiseres voerde aan dat zij haar relaas zo goed mogelijk had onderbouwd, dat inconsistenties verklaarbaar waren door medische problemen en dat zij vreest vervolging vanwege haar afvalligheid en politieke uitingen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de problemen vanwege Interpol niet geloofwaardig achtte vanwege inconsistenties en gebrek aan bewijs. Echter, verweerder had onvoldoende gemotiveerd dat eiseres geen risico loopt vanwege haar afvalligheid en politieke activiteiten. De rechtbank volgde jurisprudentie dat van een vreemdeling niet mag worden verlangd dat hij zich terughoudend opstelt in de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid. Ook de politieke activiteiten in samenhang met de afvalligheid rechtvaardigen nader onderzoek.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres.