ECLI:NL:RBDHA:2025:24317

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL25.45166 en NL25.45167
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een jezidi uit Irak wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging en discriminatie

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag wordt het beroep van eiser, een jezidi uit Irak, tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag behandeld. Eiser heeft op 1 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend, maar deze is op 11 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank beoordeelt zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser stelt dat hij in Irak discriminatie heeft ondervonden vanwege zijn jezidi-achtergrond en dat hij vreest voor rekrutering door gewapende groeperingen. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank wijst erop dat de discriminatie die eiser heeft ervaren niet zodanig is dat deze als vervolging kan worden aangemerkt. Bovendien wordt de humanitaire situatie in het ontheemdenkamp waar eiser verbleef niet als zodanig ernstig beoordeeld dat deze een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45166 (beroep) en NL25.45167 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. de Graaf).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 1 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen T. Ahmad.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001, heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de jezidi bevolkingsgroep. Hij heeft – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Irak discriminatie heeft ondervonden vanwege zijn jezidi etniciteit en geloofsovertuiging. Zo heeft hij verklaard dat hij gediscrimineerd werd als hij werkt zocht en dat hij zijn producten uit zijn winkel soms niet kon verkopen. Eiser is in 2014 gevlucht uit [plaats] voor IS en heeft sindsdien verbleven in het ontheemdenkamp [kampnaam] in de Koerdische Autonome Regio in Irak (KAR). In [plaats] is eiser twee keer benaderd door groeperingen die hem wilde rekruteren. Eiser stelt dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden en dat hij vreest voor ontvoering of rekrutering door de strijdende partijen in de regio. Ten slotte worden er (online) haatuitingen verspreid over de jezidi’s. Eiser heeft op 30 augustus 2022 in Griekenland asiel aangevraagd en op 10 oktober 2022 heeft hij daar een verblijfsvergunning gekregen op de grond van vluchtelingschap omdat hij jezidi is. Op 28 december 2022 is eiser Nederland ingereisd en op 1 januari 2023 heeft hij zijn huidige asielaanvraag ingediend.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
discriminatie vanwege zijn jezidi achtergrond; en
pogingen tot rekrutering door de PKK [1] en al-Hashd al Shaabi.
3.1.
Verweerder vindt alle asielmotieven geloofwaardig. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [2] of een reëel risico op ernstige schade loopt [3] bij terugkeer naar Irak.
3.2.
Zo heeft verweerder ten aanzien van het vluchtelingschap tegengeworpen dat de jezidi’s in Irak niet in zijn algemeenheid worden onderworpen aan groepsvervolging en voor hen op grond van het huidige landenbeleid momenteel geen risicoprofiel geldt. Ook heeft verweerder tegengeworpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie die hij heeft ervaren tot dusdanige ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheden heeft geleid dat het onmogelijk was voor hem om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dat eiser in Griekeland een vluchtelingenstatus heeft gekregen, betekent niet dat hij deze in Nederland ook moet krijgen. Verweerder heeft een eigen beoordeling mogen verrichten.
3.3.
Ook het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak is niet aannemelijk gemaakt nu de humanitaire situatie in het kamp niet zodanig is dat die een 3 EVRM [4] schending oplevert en eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt op ernstige schade. Verder heeft eiser ook zijn vrees voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk gemaakt.
3.4.
Het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: artikel 15c Kri) slaagt volgens verweerder niet, nu er conform het beleid op dit moment enkel sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld in de regio’s Diyala, Duhok, Erbil en Ninewa in Irak. Van individuele omstandigheden die maken dat eiser bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld risico loopt als bedoeld artikel 15c Kri is niet gebleken.
3.5.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was [5] . Ook heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Irak, met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Als jezidi heeft eiser bij terugkeer, anders dan verweerder stelt, wel een gegronde vrees voor vervolging en loopt hij een reëel risico op ernstige schade. Hij betoogt dat hij vanaf jonge leeftijd structureel is vernederd, gediscrimineerd en sociaal uitgesloten vanwege zijn jezidi-achtergrond. In 2014 is hij persoonlijk getroffen door de IS-aanval in [plaats]. De opeenstapeling van deze ervaringen heeft zijn situatie onhoudbaar gemaakt en leidt ertoe dat zijn huidige vrees mede gebaseerd is op de voortdurende dreiging tegen jezidi’s. Eiser stelt dat hij zijn geloof niet zonder gevaar kan uiten en dat van hem niet mag worden verwacht dat hij zijn geloofsovertuiging bij terugkeer verborgen houdt. Daarnaast beschouwt verweerder het tentenkamp [kampnaam] ten onrechte als een normale woon- of verblijfplaats. Eiser wijst erop dat hij daar noodgedwongen sinds 2014 onder mensonwaardige omstandigheden verbleef, afhankelijk van humanitaire hulp en geconfronteerd met discriminatie, zodat het kamp niet kan gelden als een duurzaam vestigingsalternatief. Terugkeer naar [plaats] is volgens eiser ook niet mogelijk, nu deze regio ernstig verwoest is, het er nog steeds onveilig is door de aanwezigheid van actieve IS-cellen en er geen effectieve bescherming voor jezidi’s beschikbaar is. Verder voert eiser aan dat verweerder recente landeninformatie, UNHCR-richtlijnen en vergelijkbare jurisprudentie, waaruit blijkt dat jezidi’s nog steeds als kwetsbare minderheidsgroep worden beschouwd, ten onrechte onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. Ook gaat verweerder eraan voorbij dat aan eiser in Griekenland al internationale bescherming is toegekend, wat bevestigt dat er sprake is van beschermingsbehoefte. Tot slot heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser zich niet direct na aankomst heeft gemeld, nu eiser hiervoor een verschoonbare reden heeft gegeven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar de Irak geen gegronde vrees heeft voor vervolging.
Jezidi’s in het algemeen
7. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gevonden dat het enkel zijn van jezidi geen gegronde vrees voor vervolging oplevert. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op het gewijzigde beleid naar aanleiding van het meest recente ambtsbericht. Niet is gebleken dat jezidi’s omwille hun geloof of etniciteit het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Bovendien wordt jezidisme officieel erkend in Irak als godsdienst en worden jezidi’s niet actief ervan weerhouden hun geloof te uiten. [6] Daar komt bij dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij specifiek gevaar loopt vanwege het feit dat hij jezidi is.
Discriminatie als daad van vervolging
8. De discriminatie waar eiser als jezidi slachtoffer van is geweest in Irak wordt door verweerder erkend. Verweerder verwijst in dit kader naar de weigering van sommige personen om producten van eiser te kopen, verbale beledigingen, het langdurig ophouden bij controleposten, belemmeringen bij het vinden van werk en het meer moeten betalen en langer moeten wachten voor zorg en het verkrijgen van officiële documenten. Desalniettemin heeft verweerder tegen kunnen werpen dat hieruit niet blijkt dat eiser dusdanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat de discriminatie als vervolging moet worden aangemerkt. Eiser heeft immers onderwijs kunnen volgen, zijn werk in de bouw en landbouw kunnen uitoefenen en uiting kunnen geven aan zijn geloof [7] . Ook had eiser bewegingsvrijheid om naar andere plaatsen te gaan [8] , heeft hij identificerende documenten van de Iraakse autoriteiten kunnen krijgen [9] en heeft hij toegang gehad tot medische zorg [10] . Hoewel uit de door eiser ingebrachte informatie in zijn algemeenheid blijkt van moeilijkheden voor de jezidi-bevolking in Irak, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk zulke zwaarwegende problemen heeft ondervonden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren wegens zijn etniciteit en geloof.
Normale woon- of verblijfplaats
9. Voor zover eiser aanvoert dat het ontheemdenkamp [kampnaam] niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling [11] heeft bij uitspraak van 18 september 2012 [12] geoordeeld dat bij de beoordeling of in het land dan wel in voorkomend geval het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw, zich voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Verder volgt uit die uitspraak dat bij beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling aldaar heeft verbleven. De omstandigheid dat de vreemdeling gevlucht is naar de plaats is niet van doorslaggevende betekenis.
9.1.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat de KAR kan worden aangemerkt als de normale woon- en verblijfplaats van eiser. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser de acht jaren voorafgaand aan zijn vertrek in de KAR heeft verbleven. Tijdens het achtjarige verblijf van eiser in het vluchtelingenkamp [kampnaam] in de KAR heeft hij op school gezeten, heeft hij zijn geloof kunnen uiten en was hij werkzaam in de landbouw en in de bouw. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het langdurige verblijf van eiser in de KAR voldoende blijk geeft van een band met deze plaats. Verder heeft verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat noch uit de jurisprudentie van de Afdeling, noch uit andere bronnen, zoals een door verweerder genoemde rapportage [13] van EUAA [14] , volgt dat humanitaire omstandigheden een relevant criterium zijn bij het bepalen van de normale woon- of verblijfplaats. De beoordeling van de humanitaire omstandigheden staat los van de vraag waar de vreemdeling heeft gewoond en verbleven. Anders dan eiser meent, heeft verweerder de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp in de KAR dan ook niet hoeven betrekken bij de beantwoording van de vraag wat de normale woon- en verblijfplaats van eiser is.
9.2.
Nu de KAR terecht is aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats van eiser behoeven de beroepsgronden die zien op de situatie in de regio Ninewa, waarin de plaats [plaats] ligt, geen bespreking. [15]
Haatberichten
10. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder de ernst van haatuitingen en hoe deze het maatschappelijk isolement vergroten heeft miskend, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit zou blijken dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft vanwege de haatuitingen. Daar heeft verweerder bij mogen betrekken dat uit het algemeen ambtsbericht niet blijkt dat deze haatberichten in Irak daadwerkelijk hebben geleid tot geweld tegen jezidi’s. De rechtbank begrijp dat eiser, gezien ook zijn geschiedenis, bezorgd is over de mogelijke gevolgen van de haatuitingen, maar dit maakt niet dat verweerder op basis daarvan moest aannemen dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging.
Vluchtelingenstatus in Griekenland
11. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het feit dat aan eiser in Griekenland vluchtelingenstatus is verleend, overweegt de rechtbank als volgt. Het feit dat eiser eerder in Griekenland beschermingsstatus heeft gekregen, betekent niet zonder meer dat verweerder gehouden is deze beoordeling over te nemen of zonder nadere inhoudelijke toetsing aan te nemen dat eiser nog steeds bescherming behoeft [16] . Nederland kan en mag een eigen inhoudelijke beoordeling verrichten van de asielaanvraag naar de actuele individuele beschermingsbehoefte van de aanvrager. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in het geval van eiser voldoende zorgvuldig en gemotiveerd gedaan.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade?
12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Humanitaire omstandigheden in kamp [kampnaam]
13. Voor zover eiser aanvoert dat de omstandigheden in het tentenkamp waar hij verbleef kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. In het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 ziet de rechtbank een zorgelijk beeld naar voren komen over de humanitaire situatie in de kampen. Zo staat in dat ambtsbericht onder meer dat de kampen overbevolkt zijn, mensen verblijven in onderkomens die niet geschikt zijn voor langdurig verblijf en onvoldoende bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en brand, veel ontheemden moeite hadden om toegang te krijgen tot werk en dat met name in de kampen in Duhok veel mensen afhankelijk waren van humanitaire hulp. [17] Tegelijkertijd staat in het algemeen ambtsbericht ook dat er – weliswaar beperkt – onderwijs, gezondheidszorg en basisvoorzieningen zijn, en dat ontheemden in de kampen in Duhok zich relatief vrij konden bewegen en daardoor toegang hadden tot diensten (voor zover beschikbaar) buiten de kampen [18] . Verder volgt uit de verklaringen van eiser zelf dat hij heeft kunnen werken, onderwijs heeft kunnen volgen, toegang had tot medische zorg, reisdocumenten heeft kunnen aanvragen en vrij heeft kunnen reizen. Gelet daarop is de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp voor eiser niet zodanig dat verblijf daar een schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser, gelet op wat hij heeft meegemaakt en gelet op de situatie in het kamp, liever niet terugkeert naar Irak, is gelet op wat hiervoor is besproken geen sprake van een ‘
minimum level of severity’. Van strijd met artikel 3 van het EVRM is daarom evenmin sprake.
Gedwongen rekrutering
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor gedwongen rekrutering door PKK of de al-Hashd al Shaabi niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat uit algemene landeninformatie niet blijkt van gedwongen rekrutering van volwassenen door het Iraakse leger of milities [19] . Ook heeft verweerder in dat kader mogen wijzen op eisers eigen verklaringen waaruit blijkt dat de verzoeken tot aansluiting vrijblijvend waren en hij geen problemen heeft ondervonden nadat hij de twee eerdere verzoeken had geweigerd [20] . Daarnaast heeft eiser verklaard dat de groepen alleen actief zijn in [plaats] en dat hij tijdens zijn verblijf in de KAR niet door hen benaderd is [21] .

Artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 15c Kri. Verweerder heeft in die conclusie mogen verwijzen naar het landgebonden beleid voor Irak waaruit blijkt dat in de regio’s [plaats] en Duhok in de KAR, waarin het kamp [kampnaam] ligt, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dat niet voldoet aan ‘
the most extreme case of general violence’ zoals vereist in de meest uitzonderlijke situatie onder artikel 15c Kri. Met de bronnen die eiser in deze procedure heeft ingebracht is dat beeld niet weerlegd. Niet gebleken is van een verandering in de algehele situatie in [plaats] of de KAR die maakt dat nu van de meest uitzonderlijke artikel 15c Kri-situatie moet worden uitgegaan.
15.1.
Ook heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat hij een verhoogd risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri. De door eiser genoemde omstandigheden, zoals zijn jezidische etniciteit en de discriminatie die hij daardoor heeft ervaren, zien namelijk op risicoverhogende factoren voor individueel gericht geweld en niet op een hoger risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Ook van andere individuele omstandigheden die dit risico op ernstige schade in de zin van artikel 15c Kri voor eiser verhogen is de rechtbank niet gebleken. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet meer risico loopt op willekeurig geweld dan anderen in zijn woonomgeving [22] .
Mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen als kennelijk ongegrond?
16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond [23] nu eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser is op 28 december 2022 Nederland ingereisd en heeft op 1 januari 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Dat eiser aanvoert dat hij bij familieleden heeft verbleven omdat hij moe was en hij niet wist dat hij zich in Ter Apel moest aanmelden, heeft verweerder niet als verschoonbare reden hoeven aanmerken. Van iemand die om internationale bescherming verzoekt, mag in beginsel worden verwacht dat hij zijn asielwens onmiddellijk na aankomst in Nederland kenbaar maakt. Dat iemand moe is maakt niet dat hij zich niet zou kunnen melden [24] . Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken dat eiser via Schiphol is ingereisd en hij daar zijn asielverzoek kenbaar had kunnen maken. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat hij vanaf het moment van zijn vertrek uit Irak wist dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen [25] .
17. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser, onweersproken, gesteld dat haar vergelijkbare gevallen bekend zijn waarin het te laat indienen van de aanvraag niet door verweerder werd tegengeworpen. In die gevallen hadden betrokkenen ook eerst in Griekenland de vluchtelingenstatus verkregen en daarna in Nederland asiel aangevraagd. Zij hadden, wegens vermoeidheid, niet binnen twee dagen na aankomst hun asielaanvraag ingediend. In deze stelling ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding af te wijken van het hiervoor overwogene.

Conclusie en gevolgen

18. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
19. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen
van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
20. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Partiya Karkeren Kurdistan.
2.Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
5.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
6.Zie het EUAA rapport Country Guidance: Iraq van november 2024.
7.Verslag van het aanmeldgehoor van 6 juli 2023, p. 10, en verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p.15-16.
8.Verslag van het aanmeldgehoor, p. 5-8, 11, en verslag van het nader gehoor, p. 11.
9.Verslag van het nader gehoor, p. 14.
10.Idem, p. 16.
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
13.EASO Practical Guide: Qualification for International Protection, April 2018, p. 12.
14.European Union Agency for Asylum.
15.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940, rechtsoverweging 2.1.1.
16.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524, r.o. 68-69.
17.Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023, p. 92-93.
18.Idem, p. 92-93.
19.Idem, p. 36.
20.Verslag van het nader gehoor, p. 19-20.
21.Idem, p. 20.
22.Verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p. 17.
23.Op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
24.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3891, r.o. 5.
25.Verslag van het aanmeldgehoor, p, 16.