Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:24284

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL25.47664
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, diende op 24 juni 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, gezien eerdere asielaanvragen van eiser in Kroatië en Frankrijk.

Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer op Kroatië van toepassing is vanwege meldingen van pushbacks en politiegeweld aan de Kroatische buitengrenzen, en het ontbreken van effectieve klachtenmogelijkheden. Hij verwees onder meer naar een rapport van het Swiss Refugee Council.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De rechtbank nam mee dat Kroatië met een claimakkoord de behandeling van de asielaanvraag garandeert en dat eiser na overdracht in Kroatië kan klagen bij de autoriteiten.

Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 17 december 2025 te Middelburg.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.47664

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1982 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 24 juni 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 10 mei 2024 illegaal via Kroatië het grondgebied van de EU is ingereisd en daar op dezelfde dag een asielaanvraag heeft ingediend. Daarnaast is gebleken dat hij op 17 juni 2024 in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend, waarna hij volgens zijn eigen verklaringen door de Franse autoriteiten is overgedragen aan Kroatië. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening [2] de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 2 september 2025 geaccepteerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Kroatië vaststaat.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In Kroatië vinden nog altijd pushbacks plaats en vindt bij de buitengrenzen van Kroatië politiegeweld plaats. Hoewel Kroatië garandeert de asielaanvraag in behandeling te nemen, heeft eiser bij de eerdere overdracht aan Kroatië vanuit Frankrijk geen toegang kunnen krijgen tot die asielprocedure. Verder is er voor eiser geen mogelijkheid om te klagen in Kroatië. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar het rapport van februari 2025 van het Swiss Refugee Council.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Uit jurisprudentie van de Afdeling [3] blijkt dat ten aanzien van Kroatië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [4] Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de onderwerpen (toegang tot de) asielprocedure, pushbacks en opvangvoorzieningen. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. In de door eiser ter zitting aangehaalde update van het AIDA-rapport van augustus 2025 leest de rechtbank geen wezenlijk andere informatie over de situatie van Dublinterugkeerders en de opvangvoorzieningen in Kroatië dan uit het eerdere AIDA-rapport daarover al bekend was en dat door de Afdeling in haar voornoemde uitspraken al bij de beoordeling is betrokken. Kroatië heeft immers met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Mocht eiser na overdracht aan Kroatië van mening zijn dat Kroatië zijn verplichtingen - ten aanzien van onder meer de asielprocedure en de opvang - niet nakomt, dan ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, volgt de rechtbank niet. Dit volgt evenmin uit het aangehaalde rapport van de Swiss Refugee Council. Ook volgt hieruit niet dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen.
5. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in
aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van
geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037) en 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635).