ECLI:NL:RBDHA:2025:24273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL25.16328
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vervolging in Iran

Eiser, een Iraanse nationaliteit dragende man geboren in 1981, heeft asiel aangevraagd in Nederland na deelname aan demonstraties tegen het Iraanse regime. Hij vreesde vervolging vanwege zijn seculiere levensstijl en politieke activiteiten. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs dat eiser daadwerkelijk in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten stond.

Tijdens de zitting op 11 december 2025 werd het beroep behandeld. Eiser kon zijn beweringen niet onderbouwen met objectieve documenten en zijn verklaringen werden als niet samenhangend en aannemelijk beoordeeld. Verweerder stelde dat hoewel er sprake is van onderdrukking in Iran, demonstranten niet systematisch worden vervolgd, zeker niet zonder een prominente rol.

Eiser bracht aanvullend sociale media screenshots en rechterlijke uitspraken in, maar deze konden het oordeel niet wijzigen. De rechtbank concludeerde dat eiser geen aannemelijk risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer had aangetoond, mede omdat hij zijn secularisme niet actief uitdraagt en geen geloofwaardige afvalligheid had gesteld.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16328

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. C.W.M. van Breda).

Inleiding

In het besluit van 12 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft aanvullingen op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.M. van Breda.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [datum] 1981 en heeft de Iraanse nationaliteit.
2. Op 24 oktober 2022 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Op 10 april 2024 en 29 juli 2024 is hij door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Hij heeft verklaard dat hij op 29 september 2022 heeft deelgenomen aan een demonstratie in Teheran tegen het Iraanse regime. Deze demonstratie is ontstaan door de dood van [naam]. Deze jonge vrouw is na een arrestatie door de Iraanse zedenpolitie onder verdachte omstandigheden in detentie komen te overlijden. Deze gebeurtenis heeft een reeks van grootschalige protesten ontketend die internationale aandacht heeft gekregen. Eiser stelt vanwege zijn deelname aan deze demonstratie te zijn opgepakt, mishandeld en gevangengehouden in een moskee. Ook heeft eiser verklaard dat hij vóór deze demonstratie een aantal keer heeft deelgenomen aan demonstraties tegen het Iraanse regime die te maken hadden met corruptie bij verkiezingen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij nooit een geloof heeft gehad en dat hij daarom bedreigd is door de neef van zijn vrouw. Als eiser zou moeten terugkeren naar Iran vreest hij van de Iraanse autoriteiten de doodstraf te krijgen omdat hij heeft deelgenomen aan demonstraties en omdat hij geen moslim is.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft ook geloofwaardig geacht dat eiser in 2022 heeft gedemonstreerd, en dat hij de Islam niet praktiseert en seculier leeft. Verweerder heeft echter ongeloofwaardig geacht dat eiser daardoor problemen heeft gekregen met de Iraanse autoriteiten. Eiser heeft dit namelijk niet met objectieve documenten onderbouwd, en zijn verklaringen hierover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser komt dan ook niet in aanmerking voor een asielvergunning. Hierbij heeft verweerder overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten is komen te staan. Ook acht verweerder het niet onoverkomelijk dat eiser bij terugkeer door de Iraanse autoriteiten zal worden ondervraagd over zijn verblijf in het buitenland, en dat hij dan mogelijk een verklaring moet ondertekenen dat hij nog steeds moslim is.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij bij terugkeer naar Iran te vrezen heeft voor zijn leven omdat hij seculier leeft en omdat hij heeft gedemonstreerd tegen het regime, zodat aan hem een asielvergunning had moeten worden verleend. Eiser verwijst hierbij naar het jaarrapport 2024 over Iran van Amnesty International (AI), en naar het algemeen ambtsbericht over Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2023 (AAB). Ook verwijst hij naar het Informatiebericht (IB) 2023/35 ‘Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen’ van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, waaruit blijkt dat vreemdelingen die lang in het buitenland hebben verbleven bij terugkeer ondervraagd worden en een verklaring moeten ondertekenen die in feite een vrijbrief voor de autoriteiten inhoudt om hem op te pakken. Eiser voert verder aan dat zijn gezin in Iran is opgeroepen voor een verhoor op het politiebureau en dat zijn kinderen op school worden gepest.
5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is. Hoewel er in Iran een klimaat van onderdrukking is, blijkt uit de landeninformatie niet dat demonstranten systematisch worden vervolgd. Eiser had geen prominente rol bij de demonstraties waaraan hij heeft deelgenomen, en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten is komen te staan. Daarnaast volgt uit de landeninformatie dat niet iedereen die de Islam niet praktiseert in Iran wordt vervolgd. Eiser heeft verklaard dat hij zijn secularisme nooit actief heeft uitgedragen. Het is dan ook niet aannemelijk dat hij daardoor bij terugkeer problemen zal krijgen.
6. Als aanvulling op de beroepsgronden heeft eiser een aantal schermafbeeldingen van sociale media overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij in Nederland actief demonstreert tegen het Iraanse regime. Ook heeft eiser nog op een aantal rechterlijke uitspraken gewezen, waarop hierna verder zal worden ingegaan. Tijdens de zitting op 11 december 2025 hebben eiser en verweerder over en weer op elkaars standpunten kunnen reageren.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Eiser heeft in beroep niet betwist dat hij zijn gestelde problemen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten, en dat de verklaringen die hij daarover heeft afgelegd niet samenhangend en aannemelijk zijn. Wel heeft eiser gesteld dat de geloofwaardigheid van de andere elementen had moeten doorwerken tot geloofwaardigheid van dit element. Deze enkele stelling is echter onvoldoende om de tegenwerpingen van verweerder te weerleggen. Ook heeft eiser gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:758. Deze verwijst terug naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93. Daarin is geoordeeld dat verweerder een beter beoordelingskader moest maken voor zaken over Iraanse afvalligen en atheïsten. Dat is er echter met het IB 2023/35 gekomen en eiser stelt niet dat dit IB niet juist is.
8. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door deelname aan demonstraties in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten is komen te staan. Uit het door eiser aangehaalde rapport van AI en uit het AAB volgt niet dat iedereen die in Iran gedemonstreerd heeft wordt vervolgd. Eisers stellingen dat zijn gezin in Iran is opgeroepen voor een politieverhoor en dat zijn kinderen worden gepest op school zijn op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Voor zover de rechtbank kan aannemen dat op de door eiser overgelegde schermafbeeldingen zichtbaar is dat hij recentelijk in Nederland ook weer heeft gedemonstreerd tegen het Iraanse regime, kan daaruit niet worden afgeleid dat dit alsnog heeft geleid tot negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten richting de persoon van eiser. De rechtbank weegt hierbij mee dat op deze afbeeldingen niet zichtbaar is dat de naam van eiser wordt genoemd. Eisers stelling dat de Iraanse autoriteiten in staat zijn om gezichtsherkenning toe te passen is niet onderbouwd, en bovendien is niet gebleken dat zij in staat zouden zijn om alles wat er op sociale media voorbijkomt aan controle te onderwerpen.
9. Uit het IB 2023/35 volgt dat niet alle, maar sommige terugkeerders op de luchthaven in Iran zullen worden ondervraagd, en dat terugkeerders die vóór hun vertrek zonder problemen als afvallige hebben geleefd dat in beginsel na terugkeer ook weer kunnen doen. Daarbij komt dat eiser zich niet heeft beroepen op afvalligheid, maar enkel heeft gesteld dat hij niet gelovig is en dat hij zijn secularisme niet actief uitdraagt. Van eiser mag worden verwacht dat hij in geval van terugkeer eenzelfde houding zal aannemen. Dit is in overeenstemming met het door eiser aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688, in de zaak S en A. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn secularisme. Eiser heeft niet onderbouwd dat in deze omstandigheden het eventueel beantwoorden van vragen op de luchthaven in Iran en het moeten ondertekenen van een verklaring voor hem tot problemen zal leiden. De door eiser aangehaalde rechterlijke uitspraken kunnen hem niet baten omdat die niet over vergelijkbare gevallen gaan. Daarin was namelijk sprake van een geloofwaardig geachte afvalligheid, en deels tevens van een geloofwaardig geachte politieke overtuiging. Het gaat hierbij om de uitspraken van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349, de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 15 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:446, en van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 augustus 2025, ECLI:NL:RBHDA:2025:19501, en 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22080.
10. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen, en terecht tegen eiser een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd waaruit volgt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Iran.
11. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 december 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.