Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft om hem geen ontheffing te verlenen van de verplichting tot arbeidsinschakeling. Eiser, die sinds 22 november 2022 een bijstandsuitkering ontvangt op grond van de Participatiewet (Pw), is het niet eens met dit besluit en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft het beroep beoordeeld en komt tot de conclusie dat het college terecht geen ontheffing heeft verleend. De rechtbank legt uit dat eiser beperkingen heeft die zijn belastbaarheid beïnvloeden, maar dat er in medisch opzicht geen urenbeperking is vastgesteld. Hierdoor is het college van mening dat eiser kan deelnemen aan een re-integratietraject, vrijwilligerswerk of loonvormende arbeid.
Het procesverloop laat zien dat het college op 23 april 2024 heeft besloten dat eiser geen ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling krijgt. Dit besluit is bevestigd in het bestreden besluit van 6 augustus 2024. De rechtbank heeft partijen laten weten dat een zitting niet nodig is en heeft het onderzoek gesloten. Eiser heeft medische informatie ingediend, maar de rechtbank oordeelt dat deze informatie geen nieuwe gegevens bevat die de eerdere conclusies van het college kunnen weerleggen. Eiser heeft niet aangetoond dat zijn medische situatie is verslechterd en dat hij niet in staat is om te werken.
De rechtbank concludeert dat het college voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de activiteiten die onder arbeidsinschakeling vallen en dat er geen reden is om aan de juistheid van het medisch advies te twijfelen. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, wat betekent dat hij geen griffierecht terugkrijgt en ook geen vergoeding van proceskosten ontvangt. De uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, en is openbaar uitgesproken op 4 december 2025.