ECLI:NL:RBDHA:2025:24210
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gokactiviteiten
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om zijn bijstandsuitkering te herzien over de periode van 9 juni 2021 tot en met 31 augustus 2022, en de uitkering per 1 september 2022 in te trekken vanwege gokactiviteiten. Tevens is een bedrag van €47.905,70 teruggevorderd.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening en oordeelde dat er geen spoedeisend belang bestaat voor de herziening over de periode in het verleden, noch voor de terugvordering, omdat geen acute financiële noodsituatie is aangetoond. Wel is een spoedeisend belang aangenomen voor de intrekking van de bijstand per 1 september 2022, omdat verzoeker onvoldoende inkomsten heeft en dreigt zijn huurwoning te verliezen.
Inhoudelijk oordeelde de voorzieningenrechter dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat het college zijn inkomsten ten onrechte te hoog heeft vastgesteld. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat de inkomsten uit gokactiviteiten gelijk zijn aan de ingelegde bedragen, wat leidt tot het ontbreken van recht op bijstand vanaf 1 september 2022. De intrekking is een verplichte maatregel op grond van de Participatiewet, zonder ruimte voor belangenafweging.
Daarom is de voorlopige voorziening afgewezen en blijft het besluit gelden totdat op bezwaar is beslist. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking en terugvordering van bijstand wordt afgewezen.