In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 11 november 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het betreft de opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering van de verzoeker, die het hier niet mee eens is. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang aanwezig is voor een deel van het verzoek, en dat het besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal blijven. De zaak is ontstaan na een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag op 2 september 2025, waarin de bijstandsuitkering van de verzoeker werd ingetrokken met ingang van 1 september 2025. Dit besluit volgde op een eerdere opschorting van de uitkering op 28 augustus 2025, omdat de verzoeker niet alle benodigde informatie had verstrekt. De verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 28 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek behandeld, waarbij de verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van het college en een tolk. De voorzieningenrechter concludeert dat de verzoeker onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar zijn recht op bijstand, wat de opschorting en intrekking rechtvaardigt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat er geen aanknopingspunten zijn dat het besluit in bezwaar niet stand kan houden. Tevens wordt opgemerkt dat er geen spoedeisend belang is voor de terugvordering van eerder uitgekeerde bijstand, omdat het college op dat moment geen invorderingsmaatregelen heeft getroffen. De uitspraak wordt gedaan zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.