ECLI:NL:RBDHA:2025:24205

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/6600
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij opschorting en intrekking bijstandsuitkering

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 11 november 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het betreft de opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering van de verzoeker, die het hier niet mee eens is. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang aanwezig is voor een deel van het verzoek, en dat het besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal blijven. De zaak is ontstaan na een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag op 2 september 2025, waarin de bijstandsuitkering van de verzoeker werd ingetrokken met ingang van 1 september 2025. Dit besluit volgde op een eerdere opschorting van de uitkering op 28 augustus 2025, omdat de verzoeker niet alle benodigde informatie had verstrekt. De verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 28 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek behandeld, waarbij de verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van het college en een tolk. De voorzieningenrechter concludeert dat de verzoeker onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar zijn recht op bijstand, wat de opschorting en intrekking rechtvaardigt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat er geen aanknopingspunten zijn dat het besluit in bezwaar niet stand kan houden. Tevens wordt opgemerkt dat er geen spoedeisend belang is voor de terugvordering van eerder uitgekeerde bijstand, omdat het college op dat moment geen invorderingsmaatregelen heeft getroffen. De uitspraak wordt gedaan zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6600

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. P. Siemerink)

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat wat een deel van het verzoek betreft er geen spoedeisend belang aanwezig is, en voor het overige het besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 2 september 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker ingetrokken met ingang van 1 september 2025, nadat het college bij besluit van 28 augustus 2025 de bijstandsuitkering had opgeschort. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat verzoeker niet alle informatie heeft gegeven
.Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de tolk (A.N.J. de Wit) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift.
3.1.
Verzoeker voert aan dat er een spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker is namelijk door de intrekking van zijn bijstandsuitkering in financiële nood geraakt. Verzoeker kan zijn vaste lasten en noodzakelijke kosten van levensonderhoud niet betalen. Hierdoor ontstaan er achterstanden en kan verzoeker mogelijk de huur van zijn woning en zijn zorgverzekering niet meer betalen. Hij is op dit moment aangewezen op hulp van zijn zoon.
3.2.
De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. Voor zover de gemachtigde van het college ter zitting heeft betwist dat er sprake zou zijn van een acute financiële noodsituatie, wordt dit niet gevolgd. De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken in het dossier namelijk geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een andere inkomstenbron.
Inhoudelijke beoordeling
3.3.
De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk behandelen, maar wijst er op dat haar oordeel een voorlopig karakter heeft en dat de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet is gebonden aan dat oordeel.
3.4.
Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend en hem dit te verwijten valt, het recht op bijstand opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft.
3.5.
Op grond van artikel 54, tweede lid, van de Pw doet het college mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigt hem uit binnen de door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de Pw bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
3.6.
Ter beoordeling ligt voor of het college bevoegd was om over te gaan tot opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering van verzoeker, omdat hij onvoldoende medewerking heeft verleend en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
3.7.
Het college heeft op 17 april 2025 een melding ontvangen van de sociale recherche van de gemeente Delft. Hierin is genoemd dat een buurvrouw van verzoeker heeft verklaard dat verzoeker heel erg weinig op het uitkeringsadres aanwezig is en dat hij zou werken. Verzoeker zelf werd die dag niet thuis aangetroffen. Naar aanleiding van deze melding heeft het college een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van verzoeker. Het college heeft op 2 juli 2025 het waterverbruik opgevraagd bij Dunea. Hieruit volgt dat het waterverbruik over de periode van 30 november 2023 tot en met 23 oktober 2024 3 m³ is en daarom kan worden aangemerkt als extreem laag. Recentere gegevens waren niet bekend. Gelet op het voorgaande bestond er aanleiding om te twijfelen aan het hoofdverblijf van verzoeker. Het college heeft verzoeker bij brief van 25 augustus 2025 uitgenodigd voor een gesprek op 28 augustus 2025 en hem verzocht om afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van 1 juni 2025 tot en met 25 augustus 2025 mee te nemen. Verzoeker is niet op dit gesprek verschenen. Bij brief van 28 augustus 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker opgeschort en hem opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 1 september 2025. Verzoeker is ook op die afspraak niet verschenen.
3.8.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verzochte gegevens en de informatie over de woonsituatie van verzoeker van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. De vraag is of verzoeker een verwijt kan worden gemaakt dat hij zowel op 28 augustus 2025 als op 1 september 2025 zonder bericht van verhindering niet op de afspraken is verschenen.
3.9.
Verzoeker voert in dit kader aan dat hij de brieven van 25 augustus 2025, 28 augustus 2025 en het informatieverzoek van 2 september 2025 pas op 5 september 2025 in zijn brievenbus heeft aangetroffen. Het college heeft onvoldoende aangetoond dat de brieven van 25 augustus 2025 en 28 augustus 2025 zijn bezorgd op de in de rapportage genoemde tijdstippen. Zelfs al moet er vanuit worden gegaan dat de brieven zijn bezorgd op de in de rapportage genoemde tijdstippen, dan is de tijd die aan betrokkene werd gegeven om op de afspraak te verschijnen nodeloos kort (rond de 72 uur) en in dit geval niet redelijk.
3.10.
De bewijslast dat de oproepbrieven zijn verzonden, rust op het college. In de rapportage met einddatum 22 september 2025 heeft de rapporteur verklaard dat op 25 augustus 2025, omstreeks 7:52 uur een poging tot een huisbezoek is gedaan op het uitkeringsadres. Er is meerdere malen aangebeld bij de woning, maar er deed niemand open. Er is toen een uitnodigingsbrief in de brievenbus gedeponeerd waarbij verzoeker werd uitgenodigd voor een hoor- en wederhoor gesprek op 28 augustus 2025 om 9:00 uur. Ook heeft de rapporteur vermeld dat er op 28 augustus 2025 omstreeks 10.35 persoonlijk een uitnodigingsbrief (hersteltermijn) is bezorgd op het uitkeringsadres, waarbij verzoeker nogmaals is uitgenodigd voor een gesprek op 1 september 2025 om 13:00. Op 2 september 2025 heeft de rapporteur omstreeks 15:03 uur een informatieverzoek persoonlijk bezorgd bij verzoeker. De rapporteur heeft opgemerkt dat bij bezorging van de brief de brievenbus vol lag met ongeopende post.
3.11.
Gelet op het op ambtseed opgemaakte rapport en de concrete vermelding van de dagen en tijdstippen van bezorging van de brieven is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de oproepbrieven op beide dagen in de brievenbus van verzoeker zijn bezorgd. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat de oproepbrieven op in de rapportage genoemde tijdstippen op het adres van verzoeker zijn bezorgd. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat er minder dan 72 uur zit tussen het moment waarop de uitnodigingsbrieven in de brievenbus zijn gedeponeerd en het moment waarop verzoeker op afspraak moest verschijnen. Een termijn van drie dagen is in beginsel niet te kort om gevolg te kunnen geven aan een oproep om op kantoor te verschijnen (ECLI:NL:CRVB:2018:864).
3.12.
Voor zover verzoeker aanvoert dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet verschijnen op de afspraken omdat hij vanwege medische omstandigheden zijn post niet eerder dan 5 september 2025 uit zijn brievenbus heeft kunnen halen, volgt de voorzieningenrechter dit betoog niet. Het ligt op de weg van verzoeker om adequate maatregelen te treffen indien hij zelf, vanwege zijn medische toestand, niet bij zijn brievenbus kon komen. Dat verzoeker op 27 augustus 2025 een afspraak in het ziekenhuis had maakt dit niet anders en vormt eerder een contra-indicatie voor het kunnen missen van zijn post, nu verzoeker heeft verklaard op dat moment samen met zijn zoon de woning te hebben verlaten.
3.13.
Verzoeker heeft verder aangevoerd dat het college hem geen redelijke termijn heeft geboden om te reageren op de oproepen in de brieven. De bijstandsuitkering is per 1 september 2025 feitelijk opgeschort, dus binnen vier dagen na de opschortingsbrief van 28 augustus 2025. Dit is onredelijk, want verzoeker heeft hierdoor onvoldoende gelegenheid gehad te reageren op de brief en zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek. Ook is het niet juist dat de bijstandsuitkering per 1 september 2025 is opgeschort en vervolgens bij besluit van 2 september 2025 is ingetrokken, aldus verzoeker.
3.14.
Dat het college in dit geval is afgeweken van de geautomatiseerde opschortingsprocedure waarbij een hersteltermijn van twee weken wordt geboden alvorens de bijstandsuitkering wordt opgeschort, mocht nu die termijn in elk geval niet korter was dan 72 uur en het was in het geval van verzoeker ook verder niet evident onredelijk. Gelet op het extreem lage waterverbruik over de periode 30 november 2023 tot en met 23 oktober 2024 en de verklaring van de buurvrouw van verzoeker van 17 april 2025, bestond er gerechtvaardigde twijfel over de vraag of verzoeker op dat moment zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Ten tijde van de poging tot huisbezoek op 25 augustus 2025 werd hij niet aangetroffen. De voorzieningenrechter kan het college daarin volgen dat het, gelet op de omstandigheden van dit geval, aanleiding zag om in afwijking van de geautomatiseerde opschortingsprocedure kortere termijnen te hanteren.
4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het besluit tot opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering met ingang van 1 september 2025 na heroverweging in bezwaar geen stand kan houden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en wijst het verzoek daartoe af.
Het besluit van 22 september 2025
5. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening ook is gericht tegen het besluit van 22 september 2025, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
5.1.
Met het besluit van 22 september 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker ingetrokken per 20 april 2023 en een bedrag van € 36.289,78 aan ten onrechte uitgekeerde bijstand van hem teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoeker sinds 20 april 2023 zijn hoofverblijf niet heeft op het door hem opgegeven adres.
5.2.
Met betrekking tot de terugvordering van € 36.289,78 en de mogelijk daaropvolgende invordering ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen. Het is namelijk niet gebleken dat het college op dit moment de schuld van verzoeker invordert. In zoverre is er daarom geen sprake van een acute financiële noodsituatie die het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de terugvordering noodzakelijk maakt.
5.3.
Met betrekking tot de intrekking van de bijstandsuitkering met ingang van 20 april 2023 neemt de voorzieningenrechter evenmin spoedeisend belang aan. Aangezien het college de bijstandsuitkering reeds per 1 september 2025 heeft stopgezet en dit besluit (van 2 september 2025) naar verwachting in bezwaar stand zal houden, kan met schorsing van de rechtsgevolgen van het besluit van 22 september 2025 niet worden bereikt dat het recht op uitkering herleefd. De gevraagde schorsing van het besluit van 22 september 2025 kan er dus niet toe leiden dat, in afwachting van de behandeling van de bezwaarprocedure, het recht op bijstand herleefd. De voorzieningenrechter ziet hierin dan ook geen belang die de schorsing rechtvaardigt.
Het besluit van 7 oktober 2025
6. De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van 7 oktober 2025 waarbij de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering is afgewezen, laten vallen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek zal gezien het voorgaande worden afgewezen. Dat betekent dat het bestreden besluit in ieder geval blijft gelden tot op het bezwaar is beslist. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.