ECLI:NL:RBDHA:2025:24199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/6253
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de niet-ontvankelijkheid van bezwaar tegen wijziging van persoonsgebonden budget

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 20 oktober 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaar beoordeeld. Eiseres is het niet eens met de beslissing van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, die haar bezwaar tegen de wijziging van haar persoonsgebonden budget (pgb) niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft gehandeld. Eiseres ontving ondersteuning op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en had bezwaar gemaakt tegen een besluit van 19 december 2023, waarin haar pgb-tarief werd aangepast. Het college had dit besluit later vervangen door een correctie op 13 maart 2024, maar de rechtbank stelt vast dat het bezwaar van eiseres zich niet richtte op de wijziging van het pgb-tarief, maar op de omvang van de eerder toegekende maatwerkvoorzieningen. De rechtbank concludeert dat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is, omdat het niet gericht was op een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6253

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Kaya),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, het college

(gemachtigde: mr. J. Chang Shang Min).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaar. Eiseres is het er niet mee eens dat haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 december 2023 heeft het college eiseres geïnformeerd over de jaarlijkse aanpassing van het persoonsgebonden budget (pgb) dat zij maandelijks ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
2.1.
Met het besluit van 13 maart 2024 (het primaire besluit) heeft het college het besluit van 19 december 2023 vervangen en gecorrigeerd, in die zin dat het pgb voor de maatwerkvoorziening Ondersteuning en Regie bij het huishouden met de einddatum 29 december 2024 vanaf 1 januari 2024 wordt vastgesteld op € 359,61 per maand en de maatwerkvoorziening Wasverzorging met de einddatum 29 december 2024 op € 72,72 per maand.
2.2.
Met het besluit van 10 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. I. Colen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres ontvangt ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Met de beslissing op bezwaar van 27 januari 2023 heeft het college aan eiseres de maatwerkvoorziening Ondersteuning en Regie bij het huishouden voor 185 minuten per week, bestaande uit 150 minuten huishoudelijke taken plus 35 minuten wasverzorging, in de vorm van een pgb van € 83,39 per week toegekend. Het college heeft de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de maatwerkvoorziening Sociaal en Persoonlijk functioneren gehandhaafd. Het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 27 januari 2023 is in de uitspraak van 27 maart 2024 [1] ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingediend.
3.1.
Met het besluit van 19 december 2023 heeft het college eiseres geïnformeerd hoe hoog haar PGB-budget per maand wordt met ingang van 1 januari 2024. Daarbij staat onder de kop “Hoe hoog is het persoonsgebonden budget per maand?” onder meer vermeld dat voor de maatwerkvoorziening Ondersteuning en Regie bij het huishouden met einddatum 31 maart 2022 het pgb op € 349,08 per maand wordt vastgesteld, voor de maatwerkvoorziening Sociaal Persoonlijk Functioneren met einddatum 29 december 2024 het pgb op € 384,66 per maand wordt vastgesteld en voor de maatwerkvoorziening Ondersteuning en Regie bij het huishouden met einddatum 29 december 2024 het pgb op € 349,08 per maand wordt vastgesteld. Daarnaast schrijft het college dat de eerder afgegeven beschikking verder ongewijzigd rechtsgeldig blijft. Eiseres is tegen dit besluit in bezwaar gegaan.
3.2.
Met het primaire besluit heeft het college het besluit van 19 december 2023 vervangen, zoals beschreven in 2.1.. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat in het primaire besluit per abuis onjuiste maatwerkvoorzieningen en onjuiste tarieven staan opgenomen. Eiseres heeft kenbaar gemaakt dat zij het met dit besluit ook niet eens is, en dat zij de bezwaarprocedure wil voortzetten.
3.3.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het besluit van 19 december 2023 een wijziging van het pgb-tarief betreft en dat dit een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift is vastgesteld dat in het besluit van 19 december 2023 onjuiste maatwerkvoorzieningen en tarieven staan, daarom is deze vervangen door het besluit van 13 maart 2024. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, richt het bezwaar van eiseres zich nu tegen dit besluit. Hierover stelt het college dat het bezwaar zich niet richt tegen de wijziging van de hoogte van het pgb-budget, maar tegen de omvang van de reeds bij beslissing op bezwaar van 27 januari 2023 toegekende maatwerkvoorziening Ondersteuning en Regie bij het huishouden en de afwijzing van de maatwerkvoorziening Sociaal en Persoonlijk functioneren (waarover thans in hoger beroep wordt geprocedeerd). Het bezwaar van eiseres richt zich daarmee enkel tot een herhaling van een eerder genomen besluit. Een herhaling van een eerder besluit is niet gericht op rechtsgevolg en daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar van eiseres is volgens het college daarom niet-ontvankelijk.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij een aanvraag heeft ingediend voor Ondersteuning en Regie bij het huishouden met een omvang van 8 uur per week en voor Sociaal en Persoonlijk functioneren met een omvang van 3 uur per week. Het college heeft hierop het besluit van 19 december 2023 genomen. Het college heeft dit besluit met het besluit van 13 maart 2024 ingetrokken. Dit is daarom ook een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het college heeft het bezwaar van eiseres dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Wat oordeelt de rechtbank?
5. Het college heeft met het primaire besluit slechts de hoogte van het pgb van eiseres met ingang van 1 januari 2024 gewijzigd. Van een besluit op een aanvraag is geen sprake. Eiseres heeft volgens het college rond deze tijd weliswaar een Wmo melding gedaan, waarin zij heeft verzocht om een ophoging van de maatwerkvoorziening Ondersteuning en Regie bij het Huishouden en opnieuw verzocht om begeleiding bij haar Sociaal en Persoonlijk Functioneren, maar dit staat los van dit besluit. In het kader van deze melding heeft een onderzoek plaatsgevonden, maar de rechtbank is niet gebleken dat er uiteindelijk een nieuwe aanvraag door eiseres is ingediend. Er viel voor het college dan ook niets te beslissen op dit punt. Het besluit van 19 december 2023, gewijzigd door het besluit van 13 maart 2024, waar eiseres destijds bezwaar tegen heeft gemaakt, is een ambtshalve besluit van het college dat alleen gaat over de indexatie van het pgb-tarief ten aanzien van de lopende indicaties die eerder aan eiseres waren toegekend.
5.1.
Het is hoogst ongelukkig dat het college in het besluit van 19 december 2023 onjuiste maatwerkvoorzieningen en tarieven heeft genoemd. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht heeft eiseres door een vergissing een geautomatiseerd pgb-tariefbesluit ontvangen, terwijl zij in verband met de eerdere bezwaarprocedure een op haar situatie aangepaste brief had moeten ontvangen. De tarieven moesten namelijk in het voordeel van eiseres afwijken van de geautomatiseerde tarieven en waren eerder handmatig in het systeem verwerkt. Dit heeft geleid tot de fouten in het automatisch gegenereerde pgb-tariefbesluit. De rechtbank begrijpt dat dit bij eiseres voor verwarring heeft gezorgd, maar het stond het college vrij om de gebreken in het besluit van 19 december 2023 hangende het bezwaar te herstellen door een nieuw besluit te nemen.
5.2.
Voor zover eiseres van mening is dat uit het besluit van 19 december 2023 volgt dat het college een maatwerkvoorziening voor Sociaal Persoonlijk Functioneren heeft toegekend, volgt de rechtbank dit niet. Het rechtsgevolg van dit besluit is beperkt tot de wijziging van de hoogte van het pgb, zoals ook in dit besluit duidelijk staat vermeld. Hetgeen eiseres met haar bezwaar wilde bereiken, een hernieuwde beoordeling van de aard en omvang van haar maatwerkvoorziening, is dus langs deze weg niet mogelijk. Nu zij heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de hoogte van de vastgestelde tarieven (omdat die in haar voordeel zijn vastgesteld), had zij daarom geen belang bij haar bezwaar. Het college heeft het bezwaar van eiseres dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.