Eiser, eigenaar van diverse panden die als hotel worden geëxploiteerd, vroeg om een omgevingsvergunning voor het inwendig veranderen van een winkel naar twee hotelkamers. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag af, ondanks een positief advies van de bezwaarschriftencommissie. Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelde dat het bouwplan van eiser valt onder de definitie van een hotel zoals bedoeld in het bestemmingsplan 'Scheveningen Dorp', omdat er sprake is van tijdelijke huisvesting met gedeeltelijke verzorging. De rechtbank baseerde dit op de aanwezigheid van een ontbijtservice, schoonmaak en vervanging van linnengoed, en een hostingteam dat gasten ondersteunt. Het college had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze voorzieningen niet voldeden.
De rechtbank verwierp het standpunt van het college dat het ontbreken van een receptie en gemeenschappelijke eetruimte het plan uitsluit als hotel. Ook stelde de rechtbank dat het college bij onduidelijkheden aanvullende informatie had moeten opvragen. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.