ECLI:NL:RBDHA:2025:23993

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
23/4403
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingaanslagen en boetebeschikkingen eetcafé: omkering en verzwaring van de bewijslast

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser, die een eetcafé exploiteert, en de inspecteur van de Belastingdienst. De eiser had in de jaren 2016 en 2017 aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) ontvangen, waartegen hij bezwaar had gemaakt. De rechtbank oordeelde dat de informatiebeschikking die aan eiser was gegeven onherroepelijk was geworden voordat de aanslagen en naheffingsaanslag waren vastgesteld, wat leidde tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank concludeerde dat de aanslagen en naheffingsaanslag in beginsel op een redelijke schatting berustten, maar dat de opgelegde vergrijpboetes bij de aanslagen IB/PVV en de naheffingsaanslag vernietigd moesten worden. De beroepen van eiser werden gegrond verklaard, en de rechtbank droeg de Belastingdienst op de aanslagen te verminderen overeenkomstig de door de rechtbank vastgestelde bedragen. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een deugdelijke administratie en de gevolgen van het niet voldoen aan administratieve verplichtingen voor de belastingplichtige.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 23/4403, SGR 23/4404, SGR 23/4406, SGR 23/4407 en
SGR 23/4408

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2025 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: J.W. Anker),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2016 [1] en 2017 [2] opgelegd. Daarnaast zijn aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de jaren 2016 [3] en 2017 [4] opgelegd. Verder heeft verweerder een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) over 2016 en 2017 [5] (de naheffingsaanslag) opgelegd. Bij de aanslagen IB/PVV en de naheffingsaanslag zijn vergrijpboetes opgelegd (boetebeschikkingen). Tevens is belastingrente in rekening gebracht (rentebeschikkingen).
Het bezwaar van eiser tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 en 2017 (de aanslagen) is door verweerder bij uitspraken op bezwaar van 25 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft het bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen en dat verzoek in hetzelfde geschrift afgewezen.
Het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag is door verweerder bij uitspraak op bezwaar van 23 juni 2023 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser exploiteert in de jaren 2016 en 2017 een eetcafé onder de naam [bedrijfsnaam] in de vorm van een eenmanszaak. Daarnaast verzorgt eiser catering op locatie.
2. Verweerder heeft op 14 april 2009 een bedrijfsbezoek afgelegd bij het eetcafé. In het rapport van 6 mei 2009, dat is opgesteld naar aanleiding van dit bedrijfsbezoek, wordt eiser gewezen op de administratieve verplichtingen. In het rapport staat:

“Kasadministratie

(…)
Deze administratieve verplichtingen houden o.a. in dat:
- Er een deugdelijke kasadministratie moet worden bijgehouden.
In een deugdelijke kasadministratie dienen dagelijks de omzetten te worden vermeld alsmede de betalingen die verband houden met de betaling van onkosten en lonen. Ook privé-opnamen die uit de kas genomen worden dienen vastgelegd te worden. Daarnaast dient het uit de kasadministratie blijkende saldo gecontroleerd te worden met het werkelijk aanwezige kassaldo.
- Primaire bescheiden moeten minimaal 7 jaar worden bewaard
- Digitale informatie dient minimaal 7 jaar te worden bewaard en leesbaar worden gemaakt
- Inkomende facturen dienen op naam van de onderneming te staan
- Er dient een duidelijke omschrijving van de goederen te staan op de inkomende facturen
Voor zover belastingplichtige deze regels tot op heden niet adequaat naleefde dient dit met ingang van heden wel te geschieden.
Indien aan deze administratieve verplichtingen niet wordt voldaan kan dat betekenen dat bij toekomstige onderzoeken door de Belastingdienst de bewijspositie van belastingplichtige verzwakt zal zijn.”.
3. Verweerder heeft op 16 april 2018 bij eiser een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en OB voor de jaren 2016 en 2017.
4. Op 3 december 2018 heeft verweerder een informatiebeschikking aan eiser gegeven omdat geen deugdelijke (kas)administratie door eiser is bijgehouden en relevante bescheiden niet bewaard zijn gebleven, waaronder de detailgegevens van het kassasysteem. Het niet bewaren van essentiële informatie maakt het controleren van de ingediende fiscale aangiften onmogelijk volgens de informatiebeschikking. In de informatiebeschikking staat onder meer:

“De administratie is niet gevoerd naar de eisen van uw bedrijf.

De aard, omvang en complexiteit van een bedrijf of beroep bepalen de vereiste omvang en inhoud van de administratie. Met betrekking tot de in het onderzoek betrokken fiscale aangiften ontbreken de volgende gegevens:
- de contante omzet werd berekend door de totale omzet volgens het dagoverzicht te
- verminderen met de gepinde omzet volgens het dagoverzicht van de pinautomaat. Er heeft geen controle plaatsgevonden met het daadwerkelijk aanwezige kasgeld. Er zijn geen aantekeningen gemaakt van eventuele kasverschillen;
- op de dagoverzichten uit het kassasysteem van het type ECash ontbreken begin- en eindtijden, een doorlopende nummering en de Grand Totals;
- op de dagoverzichten worden slechts de gesaldeerde omzetten per tarief voor de omzetbelasting vermeld. Omzetgegevens per groep ontbreken;
- op de dagoverzichten wordt niet vermeld hoe vaak de kassalade open gaat zonder dat daar een (verkoop)transactie aan vooraf gaat ("No Sale");
- door de adviseur werd telkens aan het eind van de maand een bedrag in het kasboek genoteerd voor contant uitbetaalde lonen en privéonttrekkingen. De feitelijke datum van uitbetaling en onttrekking ontbreekt;
- ontvangstbewijzen/kwitanties van contant uitbetaald loon;
- er vond geen periodieke kascontrole plaats op het administratieve kassaldo en werkelijk aanwezige kasgeld;
- [eiser] geeft in eigen beheer cadeaubonnen uit. De inname van deze bonnen werd vastgelegd in het kasboek. Van de verkoop van cadeaubonnen komen echter geen vastleggingen in de administratie voor.
U of uw adviseur heeft aangegeven dat u deze gegevens niet hebt vastgelegd. De vastlegging van deze gegevens is essentieel voor de bedrijfsvoering.

De administratie is niet bewaard.

De aard, omvang en complexiteit van een bedrijf of beroep bepalen de vereiste omvang en inhoud van de administratie. De administratie moet zeven jaar worden bewaard. Voor een aantal gegevens geldt een langere termijn. Ik heb samen met u of uw adviseur vastgesteld dat u (een deel van) de administratie niet bewaard hebt.
Het gaat om de volgende gegevens:
- In de onderzochte periode is (volgtijdelijk) gebruik gemaakt van twee verschillende
kassasystemen. Van geen van deze kassasystemen zijn (detail)gegevens over de periode vóór 1 januari 2018 bewaard gebleven;
- uit deelwaarnemingen blijkt dat een aantal dagoverzichten niet bewaard is gebleven;
- vastleggingen van verkoop en inname van door of namens u uitgegeven cadeaubonnen;
- pak- of leveringsbonnen;
- (reserverings)agenda's van de jaren 2016 en 2017.
U heeft te kennen gegeven dat deze gegevens niet bewaard zijn gebleven. Het niet bewaren van essentiële, niet vervangbare, informatie maakt het controleren van de ingediende fiscale aangiften onmogelijk.”.
5. Eiser heeft per brief van 19 december 2018 gereageerd op de informatiebeschikking. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:

“De administratie is niet gevoerd naar de eisen van uw bedrijf

1. De contante omzet is inderdaad berekend volgens de dagoverzichten, echter met dat verschil dat er wel degelijk controle heeft plaatsgevonden op de kas. Elke avond wordt de kas van de zaak opgemaakt en wordt er een vast saldo voor de kassa achtergelaten. De rest wordt afgeroomd in de “knip”. Deze knip wordt ook gebruikt om andere uitgaven te doen, die dan weer in de kasstaat verwerkt worden.
2. Op de dagoverzichten van ECash ontbreken inderdaad de begin- en eindtijden en een doorlopende nummering. Wat u onder Grand Totals verstaat, begrijp ik niet. Totalen per omzetgroep staan namelijk wel vermeld op het dagoverzicht.
3. Op de dagoverzichten ontbreken de omzetgegevens per omzetgroep. Naar mijn mening staan er 6 omzetgroepen vermeld op het dagoverzicht. (…)
4. “No Sale” Ik ben mij er niet van bewust dat dit noodzakelijk is. Ik ben noch door de leverancier, noch door iemand anders op de hoogte gesteld dat deze “No Sale” ingeschakeld dient te zijn. Uiteraard zal ik de leverancier hier naar vragen.
5. Feitelijke data transacties privé en lonen: Het klopt inderdaad dat er van mijn privé-onttrekkingen geen kasbescheiden zijn. In sommige gevallen zijn de loonstroken wel door de werknemers ondertekend voor ontvangst. Uiteraard heb ik dit ter harte genomen en zal vanaf heden er de hand aanhouden dat voor alle kasmutaties er een onderliggend document aanwezig is als bijlage bij de kas.
6. Periodieke kascontrole: U geeft aan dat deze controle niet plaatsvond. Als u onder periodiek verstaat elke dag of week, dan klopt dat maar aan het eind van de maand was er altijd een afstemming met het saldo in de “knip”.
7. Cadeaubonnen eigen beheer: Dat er geen vastleggingen plaatsvinden in de administratie is onjuist. Via de dagoverzichten worden de verkochte cadeaubonnen vastgelegd op grootboekrekening 10994 “Cadeaubonnen”.

De administratie is niet bewaard.

1. (detail)gegevens kassa voor 2018: Inderdaad zijn er 2 kassasystemen gebruikt. Eén systeem (…) is gecrasht zonder dat daar nog informatie uit te halen is, mede doordat de verkoper vertrokken is naar Spanje en niet meer te bereiken is voor reparatie of anderszins. Ook het 1ste ECash-systeem is gecrasht en lag nog in de kelder. (…).”.
6. Verweerder heeft per brief van 31 januari 2019 aan eiser gevraagd te bevestigen dat zijn reactie niet als een formeel bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking dient te worden aangemerkt:
“Op 10 januari jl. spraken wij elkaar telefonisch naar aanleiding van uw schriftelijke reactie op de aan u uitgereikte informatiebeschikking met datum 3 december 2018. In uw reactie gaat u in op enkele in deze beschikking genoemde punten.
Zoals u bij het telefoongesprek te kennen gaf, dient uw reactie niet als een formeel bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking aangemerkt te worden. Wilt u zo vriendelijk zijn dit schriftelijk (via e-mail) te bevestigen?
U stelde er wel prijs op als ik schriftelijk zou reageren om enkele onderwerpen te verduidelijken. Hierna ga ik daar op in.
(…).”.
7. Tot het dossier behoort een afschrift van chatberichten via Whatsapp tussen eiser en de controlemedewerker. Daarin staat:
“[08-02-19 (…)] [eiser] (…) ik heb vandaag alles met de [boekhouder] door genomen. We gaan een brief op stellen en we hebben een afspraak met de mensen van de kassa op 21-02-2019 om alles na te kijken en eventueel makkelijker te maken (…)
[11-02-19 (…)][controlemedewerker] (…) Begrijp ik dan goed dat ik uw brief van 19 december daarom niet als formeel bezwaar dien aan te merken? (…)
[11-02-19 (…)] [eiser] (…) nee het is geen bezwaar. Maar we wilden even antwoorden op uw brief. (…).”.
8. De bevindingen uit het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport gedagtekend 2 december 2019. Verweerder heeft geconcludeerd dat zijn bevindingen aanleiding geven tot twijfel aan de volledigheid van de verantwoorde omzet. Hij heeft daarom een theoretische omzetberekening opgesteld. Daarbij zijn onder meer de omzetten uit de geautomatiseerde boekhouding van eiser per groep als uitgangspunt gebruikt en is onder meer het brutowinstpercentage volgend uit de aangiften vergeleken met landelijke branchegegevens, rekening houdend met onder meer verhouding/pin contant (3.2.1.3 van het controlerapport), normaalverdeling (3.2.1.4), breuk en weggeef (3.2.2.3), personeelsgebruik (3.2.2.4) en privégebruik (3.2.2.5). In het controlerapport staat onder meer:

“3.2.1.2 Brutowinstpercentage

Een van de uitgevoerde beoordelingen is het vergelijken van het uit de aangifte blijkende brutowinstpercentage met de landelijk gemiddelde cijfers uit de branche. Dit landelijk gemiddelde wordt bepaald uit de ingediende (nog niet gecontroleerde) aangiftes IH/PVV.
Brutowinstpercentage
2017
2016
[bedrijfsnaam] (excl. werk derden)
176
176
[bedrijfsnaam] (incl. werk derden)
145
128
Landelijk gemiddelde
n.b.
214
(…) Uit deze vergelijking blijkt dat het brutowinstpercentage dat [eiser] behaalt significant naar beneden afwijkt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. (…) Daarnaast is er een beoordeling gemaakt van het door de ondernemer gewenste, ten opzichte van het feitelijk gerealiseerde brutowinstpercentage. Deze beoordeling is gedaan per omzetgroep. Bij deze beoordeling zijn de hierna genoemde beperkingen aanwezig door het niet voldoen aan de bewaarplicht. De detailgegevens van de kassa zijn niet bewaard gebleven, wel kunnen de historische prijzen gevonden worden op enkele afrekennota's die in de administratie zijn aangetroffen. Aangezien de gerechten uit een divers aantal ingrediënten bestaan is het haast ondoenlijk om achteraf een brutowinstpercentage voor de keuken te bepalen. [Eiser] heeft tijdens het inleidend gesprek verklaard dat er een kostprijsberekening wordt gemaakt voor de diverse gerechten. Deze berekeningen zijn echter niet bewaard gebleven. Aangezien deze berekening relatief eenvoudig te maken is, is besloten eerst voor de hardlopende dranken te bepalen welk brutowinstpercentage door de ondernemer gewenst is. Uit van de leverancier verkregen afnamegegevens kunnen de inkoopprijzen voor de verkochte artikelen worden afgeleid. Door deze inkoopprijzen af te zetten tegen de gehanteerde verkoopprijzen kan het gewenste brutowinstpercentage op detailniveau worden bepaald. De genoemde bedragen zijn inclusief omzetbelasting. (…)
3.2.3 Theoretische omzetberekening
(…)
Uit de berekeningen die [eiser] heeft gedeeld kan het volgende worden geconcludeerd.
Artikel
Verkoop
Inkoop
Brutomarge
Brutowinst-percentage
koffie
2,25
0,30
1,95
650
thee
2,25
0,25
2,00
800
frisdrank
2,25
0,50
1,75
350
bier
2,25
0,80
1,45
181
wijn
2,90
0,80
2,10
263
Vervolgens kunnen de inkopen worden gecorrigeerd naar aanleiding van de argumenten van [eiser]. Daarbij zijn de verminderingen van de inkopen in het voordeel van de ondernemer verdeeld.
Inkoopgroep
Verantwoorde waarde
Correctie onderdeel 3.2.2.
Inkoopwaarde van de omzet
Bier
12.94
2.474
10.467
Wijn
19.897
2.655
17.242
Gedistilleerd
4.275
4.275
Vervolgens kan de theoretische omzet voor de dranken hoog worden berekend.
Artikel
Inkoopwaarde
Brutowinst-
percentage
Brutowinst
Omzet
Bier
10.467
181
18.945
36.394
Wijn
17.242
263
45.346
62.588
Gedistilleerd
4.275
439
18.767
23.042
Saldo dranken hoog
122.024
Berekende omzet dranken hoog
122.024
Verantwoorde dranken hoog
92.663
Verschil
29.361
In procenten meer omzet dranken hoog
31,7%
Aangezien de gebreken betrekking hebben op de administratieve organisatie en interne beheersing bij de exploitatie van het eetcafé, wordt de omzet die werd behaald door cateringactiviteiten in de volgende berekening buiten beschouwing gelaten.
De verantwoorde omzet eetcafé die uit de overgelegde administratie blijkt is € 485.438
Door de theoretische berekening om te slaan naar de omzet eetcafé, ontstaat het volgende beeld.
Verantwoorde omzet + 31,7%
639.321
Verantwoorde omzet eetcafé
485.438
Verschil
153.883
Aangenomen mag worden dat dit verschil als contante ontvangsten (exclusief omzetbelasting) geboekt had moeten worden.
Uit de administratie blijkt dat de verhouding tussen omzet hoog en laag ongeveer 20/80 is. De gemiddelde druk voor de omzetbelasting is dan ongeveer 10%. De gecorrigeerde omzet inclusief omzetbelasting bedraagt dan € 169.271. (…)

3.2.4.1 Nieuw berekende brutowinstpercentage

Rekening houdend met de argumenten van [eiser] kan het brutowinstpercentage worden bepaald na de correctie die volgt uit de theoretische omzetberekening (TOB).
Omzet volgens TOB
639.321
Omzet catering
69.113
Gecorrigeerde omzet
708.434
Inkoopwaarde onderdeel 3.2.2.6
192.395
Werk derden
26.144
218.539
Brutowinstmarge
489.895
Brutowinstpercentage
224
(…)
3.2.5 Boekjaar 2016
De bedrijfsvoering in 2017 heeft ten opzichte van 2016 geen noemenswaardige veranderingen ondergaan. De jaarrekening van 2017 geeft een vergelijkbaar beeld met die van 2016. Aangezien de brutowinstcijfers tussen van 2016 en 2017 nagenoeg gelijk zijn, is het redelijk de controleresultaten over 2017 door te rekenen naar boekjaar 2016. Bij deze doorrekening zal, in verband met privégebruik, breuk, weggeef en persoonsgebruik, de inkoopwaarde van 2016 met een vergelijkbare verhouding als in 2017 worden verminderd.
Inkoopwaarde 2017 volgens administratie
202.97
Gecorrigeerde inkoopwaarde 2017
192.935
Procentueel verschil
5,2%
Correctie 2016
Verantwoorde inkoopwaarde
211.825
Correctie inkoopwaarde
11.015
In aanmerking te nemen inkoopwaarde
200.81
In aanmerking te nemen brutowinstpecentage
224
Gecorrigeerde brutowinst
449.814
Verantwoorde brutowinst
328.737
Saldo winstcorrectie 2016
121.077
(…).”.
9. Verweerder heeft de aanslagen onder meer gebaseerd op de volgende correcties die volgen uit het controlerapport:
IB/PVV en Zvw
2016
2017
Omzet (verantwoorde/aangegeven brutowinst)
€ 328.737
€ 485.438
Theoretische omzetberekening (gecorrigeerde/herrekende brutowinst)
€ 449.814
€ 639.321
Omzetcorrectie
€ 121.077
€ 153.883
Aangegeven of vastgesteld saldo fiscale winstberekening volgens v&w in de aangifte
€ 45.167
€ 35.555
Omzetcorrectie
€ 121.077
€ 153.883
Saldo fiscale winstberekening na correctie
€ 166.244
€ 189.438
10. Verweerder heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de volgende correcties in het controlerapport:
OB (af te dragen)
2016
2017
Correctie privégebruik goederen (4.2.1)
€ 515
BUA (eten + drinken aan personeel) (4.22)
€ 692
Privégebruik + BUA (4.2.3)
€ 1.000
OB-correctie (10% van omzetcorrectie) (4.2.4)
€ 12.107
€ 15.388
Na te heffen
€ 13.107
€ 16.595
11. Op 20 december 2019 heeft eisers gemachtigde op het controlerapport gereageerd en aangegeven dat er nog geen uitspraak is gedaan op eisers bezwaar van 19 december 2018 tegen de informatiebeschikking.
12. Op 28 december 2019 is de naheffingsaanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 47.488, bestaande uit € 29.702 aan na te heffen omzetbelasting, een vergrijpboete van € 14.851 en € 2.935 aan belastingrente (€ 1.588 over 2016 en € 1.347 over 2017).
13. Op 31 december 2019 is de aanslag IB/PVV 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 125.785 met een vergrijpboete van € 27.042 en € 5.654 aan belastingrente. De aanslag Zvw is vastgesteld naar een te betalen bedrag van € 2.901 en € 139 aan belastingrente.
14. Op 28 januari 2020 is de aanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.655 met een vergrijpboete van € 34.392 en € 4.662 aan belastingrente. De aanslag Zvw is vastgesteld naar een te betalen bedrag van € 2.899 en € 107 aan belastingrente.
15. Eiser heeft op 6 februari 2020 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Verweerder heeft de ontvangst van dit bezwaar bevestigd per brief van 7 februari 2020.
16. Eiser heeft op 13 maart 2020 een brief gestuurd naar verweerder en onder meer verzocht om uitstel van motivering van zijn bezwaren voor de aanslagen en de naheffingsaanslag. Verweerder heeft de ontvangst van deze brief bevestigd per brief van 20 maart 2020.
Geschil
17. In geschil is of de aanslagen, de naheffingsaanslag en de boetebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de bezwaren gericht tegen de aanslagen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, of de omzetcorrecties tot te hoge bedragen hebben plaatsgevonden en of sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
18. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bezwaren tegen de aanslagen ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De informatiebeschikking staat niet onherroepelijk vast, zodat geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Verweerder gaat volgens eiser uit van een veel te hoog brutowinstpercentage, zodat de aanslagen en naheffingsaanslag naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Ook de boete- en rentebeschikkingen zijn volgens eiser ten onrechte en naar te hoge bedragen opgelegd. Verder is sprake van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
19. Volgens verweerder zijn de bezwaren tegen de aanslagen terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. De informatiebeschikking staat onherroepelijk vast zodat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Bovendien is de vereiste aangifte niet gedaan, zodat ook om die reden omkering en verzwaring van de bewijslast geldt. De correcties zijn volgens verweerder terecht en niet te hoog. De boetes opgelegd bij de aanslagen dienen volgens verweerder te worden gematigd naar € 15.000 respectievelijk € 20.000 wegens samenloop met de naheffingsaanslag, het feit dat de aanslagen met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast tot stand zijn gekomen en rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn. De boete bij de naheffingsaanslag dient te worden gematigd met 20% in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur is volgens verweerder geen sprake.
Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
20. Verweerder heeft de brief van eiser van 13 maart 2020 aangemerkt als bezwaar tegen de aanslagen. De bezwaartermijn van zes weken na het opleggen van de aanslag 2016 (gedagtekend 31 december 2019) en de aanslag 2017 (gedagtekend 28 januari 2020) is verstreken op 13 maart 2020. Het bezwaar tegen de aanslagen is volgens verweerder daarmee te laat ingediend.
21. Eiser heeft zijn stelling dat hij (tijdig) bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag 2016 (brief van 6 februari 2020) en tegen de aanslag 2017 (brief van 9 maart 2020), tegenover de betwisting van ontvangst van deze brieven door verweerder, niet nader onderbouwd. Hij heeft de (tijdige) verzending van de bezwaarschriften dan ook niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.
22. Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd dat de rechtbank de beroepen aanmerkt als rechtstreeks beroep tegen de afwijzende beslissingen op het verzoek ambtshalve vermindering, zodat de rechtbank de zaken inhoudelijk kan behandelen.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
23. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt een beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).
24. Eiser stelt dat zijn brief van 19 december 2018 als bezwaarschrift had moeten worden aangemerkt tegen de informatiebeschikking en dat hij de implicaties van een onherroepelijke informatiebeschikking niet kon overzien. Aangezien geen uitspraak op dat bezwaar is gedaan, is volgens eiser geen sprake van een onherroepelijke informatiebeschikking. Er kan volgens eiser dan ook geen sprake zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit betoog slaagt niet. Verweerder heeft aan eiser zowel telefonisch op 10 januari 2019 als per brief van 31 januari 2019 gevraagd of eisers brief van 19 december 2018 als bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking moest worden aangemerkt. Hierop heeft eiser duidelijk geantwoord dat het geen bezwaar is. Eiser werd tijdens het boekenonderzoek bijgestaan door zijn boekhouder. Verweerder heeft de vraag duidelijk gesteld en eiser had ruim de tijd om te overleggen met zijn boekhouder of anderszins advies in te winnen. Op de informatiebeschikking staat bovendien vermeld wat de gevolgen zijn van een onherroepelijke informatiebeschikking. Dat eiser bij nader inzien een andere keuze had willen maken, komt voor zijn rekening en kan verweerder niet worden verweten.
25. Gelet op het voorgaande is de informatiebeschikking onherroepelijk geworden voordat de aanslagen en naheffingsaanslag zijn vastgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding daaraan niet het gevolg van omkering en verzwaring van de bewijslast te verbinden. Overigens heeft te gelden dat ook als de informatiebeschikking niet onherroepelijk zou zijn geworden, de omkering en verzwaring van de bewijslast zou plaatsvinden wegens het niet doen van de vereiste aangifte. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de bevindingen in het boekenonderzoek, aannemelijk gemaakt dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en eiser zich hiervan bewust moest zijn.
Redelijke schatting
26. Gelet op de omkering en verzwaring van de bewijslast moet eiser doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de aanslagen en naheffingsaanslag naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. [6]
27. De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen en naheffingsaanslag in beginsel op een redelijke schatting berusten. Gelet op de geconstateerde gebreken in de administratie kan de omzetcorrectie niet anders dan met een zekere ruwheid worden geschat. Verweerder heeft het brutowinstpercentage van 224 in het rapport gemotiveerd berekend zodat van willekeur geen sprake is.
28. Echter, gezien het verloop van de procedure en de tekst van de beoordeling op het verzoek om ambtshalve vermindering acht de rechtbank het niet redelijk vast te houden aan dit becijferde brutowinstpercentage van 224. Partijen zijn met elkaar in gesprek gegaan en verweerder kon zich vinden in een brutowinstpercentage van 205. Hoewel het niet tot een compromis is gekomen, acht de rechtbank het redelijk om voor de schatting aan te sluiten bij de in de brieven van 25 mei 2023 door verweerder becijferde omzetcorrecties. In voornoemde brieven schrijft verweerder:
“(…) Naar aanleiding van het gesprek, welke digitaal via Webex heeft plaatsgevonden op 16 februari 2021, is aangegeven dat wij bereid zijn om de brutowinstpercentage te wijzigen naar 205. Op 2 juni 2021 ontvingen wij van u een voorstel. Als reactie hebben wij aangegeven dat wij hiermee niet kunnen instemmen en dat ons inziens het correctiebedrag de theoretische berekende omzet minus de aangegeven omzet is of de herrekende brutowinst minus de aangegeven brutowinst in aanmerking moet worden genomen. Mijns inziens wordt in uw voorstel mijn twee eerder genoemde voorstellen niet juist in acht genomen. De omzet in uw voorstel dient naar mijn mening verhoogd te worden met de omzet catering.
(…)
Op 17 maart 2023 is per mail aangegeven dat akkoord wordt gegaan met de door u voorgestelde herrekende brutowinst voor 2016 van € 403.844. Onze zienswijs met betrekking tot de correctieberekening van de netto omzet hebben wij per e-mail toegezonden.
Op 11 april 2023 ontvingen wij per e-mail een reactie op ons voorstel. Hier geeft u aan dat u het niet eens bent met de door ons berekende netto winst correctie.
Ik ben nog steeds van mening dat mijn zienswijze voor de correctieberekening juist is. Rekening houdend met het door u voorgestelde brutowinst bedrag voor het jaar 2016 en het in de aangifte 2016 aangegeven brutowinst, zoals vermeld onder punt 3.2 van het rapport boekenonderzoek, is de omzet correctie als volgt:
€ 75.107 (€ 403.844 (herrekende brutowinst) minus € 328.737 (aangegeven brutowinst)). (…).”.
Voor 2017 luidt de hiervoor geciteerde zin:
“€ 56.060 (€ 386.985 (herrekende brutowinst) minus € 330.925 (aangegeven brutowinst)).”.
29. De rechtbank zal gelet op het voorgaande verweerder opdragen de aanslagen te verminderen overeenkomstig de hiervoor genoemde bedragen. De omzetcorrecties dienen derhalve te worden verlaagd naar € 75.107 (2016) en € 56.060 (2017) in plaats van € 121.077 (2016) en € 153.883 (2017). De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot op 10% van deze bedragen naar € 13.116 (€ 7.510 plus € 5.606).
30. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet doen blijken dat deze correcties te hoog zijn.
Boetebeschikkingen aanslagen IB/PVV
31. Verweerder heeft op grond van artikel 67e van de AWR vergrijpboetes opgelegd omdat het volgens verweerder aan voorwaardelijk opzet van eiser is te wijten dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Artikel 67e van de AWR is van toepassing op navorderingsaanslagen. Aangezien daarvan geen sprake is en er geen aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, zijn niet alle bestanddelen van het beboetbare feit vervuld. De rechtbank zal de vergrijpboetes opgelegd bij de aanslagen IB/PVV daarom vernietigen.
Boetebeschikking naheffingsaanslag
32. Verweerder heeft op grond van artikel 67f van de AWR een vergrijpboete bij de naheffingsaanslag opgelegd. Volgens verweerder is het aan voorwaardelijk opzet van eiser te wijten dat te weinig OB is voldaan, omdat de administratie van eiser gebreken bevat en onvolledig is en niet alle omzet in de ingediende aangiften is verantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Voor het opleggen van een boete rust een zwaardere bewijslast op verweerder dan bij de aanslagoplegging (overtuigend aantonen in plaats van aannemelijk maken). Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat er omzet is verzwegen, maar heeft dit niet aangetoond. Daarnaast geldt dat de enkele omstandigheid dat een (aanzienlijk) deel van de omzet niet in de administratie is verantwoord en niet in de aangiften is vermeld nog niet de conclusie rechtvaardigt dat eiser (voorwaardelijk) opzet kan worden verweten. De rechtbank zal de vergrijpboete vernietigen.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
33. Van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur is de rechtbank niet gebleken. Eisers klachten over de bejegening van de controleur kunnen, wat daar verder ook van zij, niet leiden tot een verlaging van de aanslagen of naheffingsaanslag. Dat eiser het niet eens is met de correcties maakt niet dat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. Dat eisers bezwaren tegen de aanslagen niet-ontvankelijk zijn verklaard zonder dat dit in overleggen door verweerder is benoemd, is betreurenswaardig maar ook dit kan niet leiden tot een verlaging van de aanslagen.
34. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond.
Rentebeschikkingen
35. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dienen de bij de aanslagen en naheffingsaanslag gegeven rentebeschikkingen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslagen en naheffingsaanslag.
Proceskosten
36. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, waarbij de zaken worden aangemerkt als samenhangende zaken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.662 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907, een wegingsfactor 1 voor zaakzwaarte en factor 1,5 omdat sprake is van meer dan vier samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de afwijzende beslissingen op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar aangaande de naheffingsaanslag;
  • draagt verweerder op de aanslagen te verminderen overeenkomstig r.o. 28 van deze uitspraak en de naheffingsaanslag te verminderen tot € 13.116;
  • vermindert de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;
  • vernietigt de vergrijpboetes opgelegd bij de aanslagen IB/PVV;
  • vernietigt de vergrijpboete opgelegd bij de naheffingsaanslag;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde ambtshalve beslissingen en uitspraak op bezwaar aangaande de naheffingsaanslag;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot € 4.662;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.B. Woe, voorzitter, mr. S.E. Postema en
mr. D.M. Drok, leden, in aanwezigheid van mr. M.D. Plukaard, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Zaaknummer SGR 23/4406.
2.Zaaknummer SGR 23/4403, in deze zaak is € 50 aan griffierecht betaald.
3.Zaaknummer SGR 23/4407.
4.Zaaknummer SGR 23/4404.
5.Zaaknummer SGR 23/4408.
6.Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486, r.o. 3.3.