Eiser, van Ethiopische nationaliteit en behorend tot de Tigrinya etniciteit, diende op 17 december 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvraag op 27 mei 2025 af wegens het ontbreken van gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.
Eiser stelde dat hij in Ethiopië gediscrimineerd werd en vreest voor willekeurig geweld en arrestatie vanwege zijn etnische achtergrond. De rechtbank achtte deze vrees niet aannemelijk, mede gelet op het feit dat eiser na detentie niet meer is opgepakt en zijn familie geen problemen ondervindt.
Het beroep van eiser werd behandeld op 6 augustus 2025, maar eiser en zijn gemachtigde verschenen niet. Eiser diende zijn beroepsgronden te laat in, waardoor de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Er waren geen bijzondere omstandigheden die dit verzuim konden rechtvaardigen, noch voldeden de omstandigheden aan de Bahaddar-criteria die een uitzondering op niet-ontvankelijkheid kunnen vormen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is en wees een proceskostenveroordeling af. Eiser kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.