ECLI:NL:RBDHA:2025:23930

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL24.36737
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op basis van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag wegens betrokkenheid bij moord

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure. Eiser, een Nigeriaanse man, had op 7 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 19 september 2024 afgewezen, omdat er ernstige redenen waren om te veronderstellen dat eiser zich schuldig had gemaakt aan een ernstig niet-politiek misdrijf, namelijk de moord op een lokale politicus, [naam 2]. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze afwijzing. Tijdens de zitting op 2 oktober 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister aanwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser, ondanks zijn claims van dwang, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat was om zich aan het misdrijf te onttrekken. De rechtbank oordeelde dat de vrijwaringsgrond van dwang niet van toepassing was en dat de minister terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen. Hierdoor is eiser uitgesloten van bescherming onder het Vluchtelingenverdrag en is zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning als kennelijk ongegrond afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard en geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36737

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.R. Vink).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 7 maart 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 september 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen [naam 1].

Totstandkoming van het besluit

Het asielrelaas
2. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. Eiser legt – samengevat – aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Samen met drie andere personen heeft hij [naam 2], een lokale voorzitter van de politieke partij Peoples Democratic Party, doodgeschoten. Als gevolg hiervan wordt hij gezocht door de autoriteiten. Verder heeft eiser problemen ondervonden vanwege zijn lidmaatschap van de Indigenous People of Biafra (IPOB) beweging.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens hem gebleken is dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich in Nigeria schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een misdrijf zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag)(1(F)-misdrijf). Eiser wordt in verband gebracht met een ernstig niet-politiek misdrijf. Verweerder gaat er op basis van de verklaringen van eiser vanuit dat eiser [naam 2], de lokale voorzitter van de politieke partij PDP heeft doodgeschoten. Verweerder stelt dat hierbij sprake is van zowel ‘knowing’ als ‘personal participation’ en dat geen sprake is van dwang op grond waarvan eiser zou moeten worden gevrijwaard van zijn verantwoordelijkheid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tot slot heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd aan eiser en eiser voor de duur van tien jaar gesignaleerd in het Schengen Information System (SIS).

Beoordeling door de rechtbank

Volgorde van toetsing door verweerder
4. Eiser voert aan dat verweerder een onjuiste toetsingsvolgorde hanteert. Volgens eiser moet verweerder eerst vaststellen of hij een verdragsvluchteling is, en daarna beoordelen of artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan hem kan worden tegengeworpen.
4.1.
Verweerder toetst op grond van zijn beleid eerst of artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, voordat hij beoordeelt of er gronden zijn de asielvergunning te verlenen. Dit staat in paragraaf C1/4.1, punten 3 en 4, van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Deze volgorde is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de tekst van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, waarin alleen staat dat het verdrag in de daarin genoemde gevallen niet van toepassing is. De tekst van het verdrag vereist dus niet dat eerst wordt getoetst of de vreemdeling een vluchteling is onder het Vluchtelingenverdrag, voordat hij daarvan kan worden uitgesloten. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft overwogen, is vooral van belang dat verweerder een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het individuele geval verricht. [1] In dit geval heeft verweerder blijk gegeven van een volledig onderzoek. Hierbij is ook beoordeeld of eiser bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt. Eiser heeft dit ook niet als zodanig bestreden en heeft niet nader toegelicht waarom hij benadeeld is door de toetsingsvolgorde van verweerder. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 1(F)
Beroepsgrond
5. Eiser voert aan dat het niet mogelijk voor hem was om zich te onttrekken aan het plegen van de moord. Eiser had in eerste instantie niet door dat hij daadwerkelijk geacht werd een moord te plegen en toen hij dit eenmaal begreep was het te laat. Verweerder heeft de culturele context van de Nigeriaanse samenleving onvoldoende erkend in het bestreden besluit. Voor eiser zou het weigeren van de moordopdracht zeer ernstige gevolgen hebben.
Juridisch kader
6. De bepalingen van het Vluchtelingenverdrag zijn onder andere niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten. Dit staat in artikel 1 (F), aanhef en onder (b), van het Vluchtelingenverdrag.
6.1.
De wijze waarop verweerder onderzoekt of een vreemdeling individueel verantwoordelijk moet worden gehouden voor 1(F)-misdrijven is neergelegd in paragraaf C2/7.10.7.2 van de Vc. Verweerder beoordeelt eerst of sprake is van een dergelijk misdrijf. Daarna beoordeelt verweerder of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van een misdrijf (
knowing participation) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (
personal participation), bijvoorbeeld door het plegen of faciliteren van dergelijke misdrijven of het opdracht geven daartoe. [2] Wanneer is vastgesteld dat van het voorgaande sprake is, beoordeelt verweerder tot slot of er sprake is van omstandigheden die de vreemdeling vrijwaren van verantwoordelijkheid. Dit kan het geval zijn wanneer de vreemdeling handelde op bevel, onder dwang of ter zelfverdediging. [3] Als de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van misdrijven, wordt hij in vier situaties niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid. Een van die situaties is wanneer voor hem de mogelijkheid bestond om zich te onttrekken aan het misdrijf. [4]
6.2.
Het is aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling een van de zeer ernstige misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, heeft gepleegd. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [5] Aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder worden strenge eisen gesteld vanwege de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft en het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is.
Wat is er in geschil?
7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser [naam 2] heeft doodgeschoten en dat dit een 1(F)-misdrijf is.
7.1.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser gevrijwaard dient te worden van de gevolgen van zijn optreden omdat er sprake was van dwang en het voor hem onmogelijk was zich aan het misdrijf te onttrekken. De gemachtigde van eiser heeft namelijk ter zitting verduidelijkt dat wat hij heeft aangevoerd in het kader van
knowing participationmoet worden gezien als een beroep op de vrijwaringsgrond dwang.
Vrijwaringsgrond dwang
8. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vrijwaringsgrond dwang niet van toepassing is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
8.1.
Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij zich op meerdere momenten heeft kunnen onttrekken aan het misdrijf. Zo is eiser nadat hem opdracht was gegeven om de moord te plegen eerst naar het huis van [naam 3] gegaan waar hij alcohol heeft gedronken en is hij kort voor het plegen van de moord ook nog enige tijd in zijn eigen huis geweest. [6] Eiser heeft onvoldoende kunnen uitleggen waarom hij zich tijdens die periode niet zou hebben kunnen onttrekken aan de moordopdracht. Eiser stelt weliswaar in beroep dat hij pas echt wist dat hij een moord zou moeten plegen toen hij eenmaal in de auto onderweg naar het plegen van het misdrijf zat, maar dat komt op geen enkele wijze naar voren uit de verschillende gehoren waarin eiser uitgebreid is bevraagd over de dag/avond van de moord.
8.2.
Eiser voert verder nog aan dat hij door het weigeren van de moordopdracht zelf gevaar zou lopen, de bescherming van zijn clan zou verliezen of in elk geval geen goede baan meer zou krijgen. Verweerder heeft echter voldoende gemotiveerd waarom deze omstandigheden geen grond voor vrijwaring opleveren. Gezien de ernst van het misdrijf mocht van eiser worden verwacht dat hij elke mogelijkheid tot onttrekking aan zou grijpen. Dat hij hierbij zelf enig gevaar zou lopen en aanzien zou verliezen binnen zijn clan of politieke partij is in dit kader onvoldoende. Het verliezen van aanzien binnen de clan of het in de toekomst geen goede baan meer krijgen staat immers op geen enkele wijze in verhouding tot het door eiser gepleegde misdrijf. Hier komt nog bij dat eiser de gestelde risico’s (als gevolg van het weigeren van de moordopdracht) en de ernst daarvan niet heeft onderbouwd. Bovendien kan uit eisers verklaringen juist worden afgeleid dat het aanvaarden van de moordopdracht een keuze was en hij die opdracht heeft aanvaard omdat hem een hoge positie in het vooruitzicht werd gesteld. [7]
Tussenconclusie
9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. Eiser is daarom uitgesloten van bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag. Daarom komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j van de Vw.
Artikel 3 EVRM
10. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Nigeria vreest voor vervolging. Dat hij is uitgesloten van het Vluchtelingenverdrag kan zo zijn, maar dat laat onverlet dat hij een vluchteling is en daarom kan niet van hem worden verlangd terug te keren naar Nigeria. Daar wacht hem immers een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
11. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals volgt uit overweging 9 van deze uitspraak heeft verweerder terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser tegengeworpen. Dit betekent dat eiser is uitgesloten van het Vluchtelingenverdrag en dit brengt mee dat eiser per definitie geen vluchteling kan zijn. In sommige gevallen kan (een reëel risico op) schending van artikel 3 EVRM in de weg staan aan de terugkeer van eiser. Daar is echter niet van gebleken en eiser heeft ook geen gronden ter onderbouwing van dat risico aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

12. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, leden, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam (MK), 14 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6582.
2.Zie paragraaf C2/7.10.7.4. van de Vc.
3.Zie paragraaf C2/7.10.7.5. van de Vc.
4.Zie paragraaf C2/7.10.7.5.2 van de Vc.
5.Bijvoorbeeld uit de uitspraken van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684 en 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267.
6.Aanvullend 1F gehoor, pagina 8-10.
7.Nader gehoor, pagina 24 en aanvullend 1F gehoor, pagina 8.