In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, die in 2015 zijn gehuwd en samen een minderjarige dochter hebben. De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken en om nevenvoorzieningen te treffen, waaronder de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en kinderalimentatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, wat door de man niet is betwist, en heeft de echtscheiding uitgesproken.
De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw vastgesteld, omdat zij in staat is om de rust en opvoedsituatie te bieden die de minderjarige nodig heeft. De man heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats bij hem, maar dit verzoek is afgewezen. De rechtbank heeft ook geen zorgregeling vastgesteld, omdat er momenteel geen contact is tussen de man en de minderjarige, en het in het belang van de minderjarige is om te werken aan contactherstel.
Wat betreft de kinderalimentatie heeft de rechtbank de behoefte van de minderjarige vastgesteld op € 872,- per maand. De draagkracht van de man is berekend op € 688,- per maand, en na toepassing van een zorgkorting is de door de man te betalen bijdrage vastgesteld op € 326,- per maand. De rechtbank heeft de vrouw ook het huurrecht van de echtelijke woning toegewezen, omdat dit in het belang van de minderjarige is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing over het huurrecht.