ECLI:NL:RBDHA:2025:23919

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
C/09/679519 / FA RK 25-732
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen, hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, die in 2015 zijn gehuwd en samen een minderjarige dochter hebben. De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken en om nevenvoorzieningen te treffen, waaronder de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en kinderalimentatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, wat door de man niet is betwist, en heeft de echtscheiding uitgesproken.

De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw vastgesteld, omdat zij in staat is om de rust en opvoedsituatie te bieden die de minderjarige nodig heeft. De man heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats bij hem, maar dit verzoek is afgewezen. De rechtbank heeft ook geen zorgregeling vastgesteld, omdat er momenteel geen contact is tussen de man en de minderjarige, en het in het belang van de minderjarige is om te werken aan contactherstel.

Wat betreft de kinderalimentatie heeft de rechtbank de behoefte van de minderjarige vastgesteld op € 872,- per maand. De draagkracht van de man is berekend op € 688,- per maand, en na toepassing van een zorgkorting is de door de man te betalen bijdrage vastgesteld op € 326,- per maand. De rechtbank heeft de vrouw ook het huurrecht van de echtelijke woning toegewezen, omdat dit in het belang van de minderjarige is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing over het huurrecht.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-732
Zaaknummer: C/09/679519
Datum beschikking: 14 november 2025

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 30 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.E. Sprenkeling te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: eerst mr. P.F.D.P. de Milliano, nu mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van 3 april 2025 van de man;
  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken van 24 april 2025 van de vrouw;
  • de eindrapportage van 30 juli 2025 van [instantie];
  • het aanvullend verzoek van 6 oktober 2025 van de vrouw.
[minderjarige] heeft een gesprek gehad met de kinderrechter op 16 oktober 2025.
Op 17 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld gecombineerd met het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen (C/09/692432, FA RK 25-7412) en het verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing (C/691804, JE RK 25-1623). In die zaken is bij afzonderlijke beschikkingen van 31 oktober 2025 beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

  • De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1].
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op
[geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats].
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
  • Deze rechtbank heeft op 10 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang inhoudende dat:
o de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats 2], [gemeente] aan de [adres] en de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
o [minderjarige] aan de man zal worden toevertrouwd;
o de ouders zijn verwezen naar Jeugdteams [regio] voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 6 augustus 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 6 augustus 2025 tot 6 augustus 2026.
  • Bij beschikking van 21 augustus 2025 is een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder verleend met ingang van 22 augustus 2025 tot 6 november 2025.
  • De gecertificeerde instelling heeft op 17 september 2025 de beslissing genomen (schriftelijke aanwijzing) dat er op dit moment geen contact is tussen de man en [minderjarige]. Deze regeling geldt tot 5 november 2025 óf als uit gesprekken met de jeugdbeschermer blijkt dat de man inzicht toont in zijn handelen, zich niet negatief uitlaat over [minderjarige] of als [minderjarige] aangeeft het contact te willen herstellen. Er zal dan gekeken worden naar nieuwe afspraken.
  • Deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 oktober 2025 de voorlopige voorzieningen gewijzigd en bepaald dat:
o de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats 2] aan de [adres] en dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
o [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd.
- Bij afzonderlijke beschikking van deze rechtbank van 31 oktober 2025 is het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing afgewezen.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – na wijziging – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding uit te spreken;
te bepalen dat het nog in te dienen ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant zal
worden gehecht aan en deel zal uitmaken van de te wijzen beschikking;
te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw wordt
toegewezen;
te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van de opvoeding en
verzorging van [minderjarige] voldoet ter hoogte van € 343,- per maand bij vooruitbetaling te voldoen, of een ander bedrag in goede justitie te bepalen, ingaande per 6 oktober 2025.
De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:
[minderjarige] haar hoofdverblijf heeft op het adres van de man;
de man het huurrecht van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats 2] aan de
[adres] krijgt toegewezen;
de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voldoet van
€ 238,- per maand, dan wel een bijdrage in goede justitie te bepalen, per datum echtscheidingsbeschikking;
[instantie] met partijen zal bezien hoe een omgangsregeling vormgegeven kan
worden.
De vrouw voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid/ouderschapsplan
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen (artikel 815 lid 2 Rv). De ouders hebben dat niet gedaan.
De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om samen afspraken te maken over [minderjarige]. Daarom gaat de rechtbank voorbij aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
De rechtbank beschouwt het eerder ingediende verzoek over het opnemen van het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant als ingetrokken, omdat de ouders geen overeenstemming hebben bereikt.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Hoofdverblijfplaats
In deze procedure hebben beide ouders een verzoek gedaan om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem/haar vast te stellen. De man heeft tijdens de zitting gesteld dat hij zich nu ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] refereert aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw. [minderjarige] verblijft sinds begin augustus 2025 op grond van de machtiging uithuisplaatsing bij de vrouw en heeft op dit moment geen contact met de man. De rechtbank is – net als de gecertificeerde instelling – van oordeel dat de vrouw [minderjarige] op dit moment de rust en opvoedsituatie kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. De rechtbank heeft daarom de voorlopige voorzieningen gewijzigd en [minderjarige] toevertrouwd aan de vrouw. In het verlengde van die beslissing zal de rechtbank vastleggen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. Dat betekent dat het verzoek van de vrouw wordt toegewezen en het verzoek van de man wordt afgewezen.
Zorgregeling
De gecertificeerde instelling heeft in september 2025 de beslissing genomen dat er (tot 5 november 2025) geen contact is tussen de man en [minderjarige]. De rechtbank heeft in de schriftelijke aanwijzing gelezen dat de gecertificeerde instelling deze beslissing heeft genomen omdat het contact voor [minderjarige] niet fijn verliep. De man lijkt zijn eigen belang, visie en mening voorop te stellen en gaat voorbij aan de gevoelens en emoties van [minderjarige]. De man heeft uitspraken gedaan richting [minderjarige] en haar berichten gestuurd die [minderjarige] verdrietig maken en het contact eindigt vaak in ruzie. Zij wil dat haar vader stopt met praten over haar moeder en zich neerlegt bij het feit dat zij nu bij haar moeder verblijft. [minderjarige] heeft richting de jeugdbeschermer aangegeven daarom nu geen contact te willen met haar vader. De rechtbank begrijpt uit wat er tijdens de zitting is besproken dat er wel af en toe telefonisch of via Whatsapp contact is (geweest) tussen [minderjarige] en de man.
De rechtbank heeft tijdens de zitting met de ouders en de jeugdbeschermer besproken wat op dit moment in het belang is van [minderjarige] ten aanzien van het contact met de man.
De rechtbank stelt voorop dat zij – anders dan de jeugdbeschermer – op dit moment geen meerwaarde ziet in een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming ten aanzien van de zorgregeling. [minderjarige] heeft vanwege de echtscheiding van haar ouders en de verschillende procedures hierover bij de rechtbank een onrustig jaar gehad. De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige] om deze procedure langer aan te houden in afwachting van nog een raadsonderzoek. Dit zorgt voor meer onrust bij [minderjarige] (en de ouders). De rechtbank is van oordeel dat de ouders onder begeleiding van de gecertificeerde instelling moeten gaan werken aan het contactherstel tussen [minderjarige] en de man. Dit is ook de wens van beide ouders. De rechtbank verlangt in dat kader van de ouders dat zij zich richten op hun eigen aandeel in het probleem en de aanwijzingen van de jeugdbeschermer over hun eigen gedrag ter harte nemen en de situatie daarmee voor [minderjarige] zo optimaal maken. Nadat het contact is hersteld, is de volgende stap dat de ouders (met de jeugdbeschermer en [minderjarige]) in gesprek gaan over de wijze waarop er weer fijn contact kan zijn tussen [minderjarige] en de man. Dit kan in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De rechtbank zal daarom op dit moment geen zorgregeling vaststellen en het daarop gerichte verzoek afwijzen.
Huurrecht echtelijke woning
De man en de vrouw hebben allebei een verzoek gedaan om toedeling van het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning. Zij hebben allebei op dit moment geen zicht op een andere vaste woning, zodat zij allebei belang hebben bij het verkrijgen van het huurrecht.
De rechtbank komt na een belangenafweging tot het oordeel dat het huurrecht wordt toegekend aan de vrouw. De rechtbank heeft bij deze afweging betrokken dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw en belang heeft bij een vaste verblijfplaats. Hoewel de vrouw de afgelopen periode steeds heeft kunnen regelen dat zij met [minderjarige] in vakantiewoningen kon verblijven, vindt de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] om nog langer regelmatig te moeten wisselen van verblijfplaats. De rechtbank is van oordeel dat er voor [minderjarige] een einde moet komen aan deze situatie. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zij weer in haar vertrouwde omgeving, ook bij de honden en katten die zij mist, kan gaan wonen. De rechtbank ziet dat de man ook belang heeft bij het huurrecht van de woning, maar is van oordeel dat gelet op het voorgaande het belang van de vrouw zwaarder weegt. Dit betekent dat het verzoek van de vrouw wordt toegewezen en het verzoek van de man wordt afgewezen.
De rechtbank overweegt verder nog het volgende. Uit de wet vloeit op grond van artikel 826 lid 1 onder a Rv voort dat de op 31 oktober 2025 door deze rechtbank gewezen voorlopige voorziening over het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning op dit moment nog behoort te gelden. Daarmee verdraagt zich niet dat de beslissing op de nevenvoorziening inzake het huurrecht van de echtelijke woning uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom zal de rechtbank het verzoek om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de nevenvoorziening inzake het huurrecht van de echtelijke woning afwijzen.
Kinderalimentatie
Behoefte
De ouders zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2025 gemiddeld € 872,- per maand bedraagt.
Draagkracht vrouw
De ouders zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw moet worden berekend op basis van haar inkomen zoals blijkt uit de aangifte IB 2024. Daarom gaat de rechtbank in de berekening uit van een inkomen van in totaal € 53.419,- bruto per jaar.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.773,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule
70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)].
De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 932,- per maand.
Draagkracht man
De ouders zijn het erover eens dat de draagkracht van de man moet worden berekend op basis van zijn inkomen zoals blijkt uit de aangifte IB 2024. Daarom gaat de rechtbank in de berekening uit van een inkomen van € 51.129,- bruto per jaar.
Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.276,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule
70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)].
De draagkracht van de man bedraagt dan € 688,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van de ouders samen is € 1.620,- per maand (€ 932 + € 688). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] van € 872,- per maand te voorzien. De rechtbank heeft daarom een draagkrachtvergelijking gemaakt. Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 502,- per maand voor rekening van de vrouw en een gedeelte van € 370,- per maand komt voor rekening van de man.
Zorgkorting
De rechtbank vindt het redelijk om rekening te houden met een zorgkorting van 5%, omdat er op dit moment geen contact is tussen de man en [minderjarige], maar er wel ingezet zal worden op contactherstel.
De zorgkorting bedraagt € 44,- per maand. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. De door de man te betalen bijdrage is dan € 326,- per maand (€ 370 - € 44).
Ingangsdatum
De rechtbank vindt het redelijk om de datum van deze beschikking als ingangsdatum voor de kinderalimentatie vast te stellen.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf vandaag een kinderalimentatie voor [minderjarige] aan de vrouw moet betalen van in totaal € 326,- per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.
Aanhechten berekening
De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1];
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats],
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 326,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2];
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding en de beslissing over het huurrecht – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 14 november 2025.