ECLI:NL:RBDHA:2025:23835

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/6265 en SGR 25/6224
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in verband met niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar tegen afwijzing urgentieverklaring

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van een beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar. Verzoeker, die met zijn gezin in een onhoudbare woonsituatie verkeert, had een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend, welke door het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer was afgewezen. Het college verklaarde het bezwaar van verzoeker tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk, omdat het niet tijdig was ingediend. Verzoeker was het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld, waarbij hij verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft de zaak beoordeeld en geconcludeerd dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen geldige reden had voor de termijnoverschrijding en dat de aanvraag voor de urgentieverklaring op basis van de Huisvestingsverordening terecht was afgewezen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/6265 (beroep) en SGR 25/6224 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. Ö. Arslan)
en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college

(gemachtigde: mr. K. Badloe).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college verzoekers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard
.Verzoeker krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 15 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 november 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is niet op de zitting verschenen. Bij aanvang van de zitting heeft
mr. Ö. Arslan zich als gemachtigde van verzoeker gesteld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3.1.
Verzoeker heeft een urgentieverklaring als woningzoekende aangevraagd. Hij woont met zijn echtgenote en twee kleine kinderen in bij zijn ouders. De woonsituatie is onhoudbaar geworden en dit heeft ernstige gevolgen voor zijn gezondheid, welzijn en zijn gezinssituatie. Verzoeker kan met zijn gezin niet langer bij zijn ouders wonen. Zijn ouders krijgen onvoldoende rust door hun aanwezigheid en dit heeft een negatieve invloed op hun gezondheid. Beiden hebben medische problemen. Verzoeker heeft zelf ook medische problemen. Hij heeft in 2019 een ongeluk gehad en heeft daardoor blijvende schade opgelopen. Verzoeker heeft moeite met traplopen en de trap in de woning van zijn ouders belemmert hem in het dagelijks leven, vooral als zijn echtgenote werkt en hij de zorg voor zijn kinderen heeft.
3.2.
Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat er sprake is van meerdere weigeringsgronden op grond van de Huisvestingsverordening. Zo is er volgens het college geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem [1] omdat verzoeker woont in onzelfstandige woonruimte, en kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs worden voorkomen of was het te voorzien [2] omdat verzoeker zijn huishouden heeft uitgebreid zonder dat hij over daartoe passende woonruimte beschikte. Ook is het volgens het college zo dat verzoeker niet in staat is om in zijn kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien [3] , omdat verzoeker zijn schulden niet heeft geregeld zoals beschreven in artikel 4:2, zesde lid, van de Huisvestingsverordening in samenhang met artikel 1.2.2 en artikel 1.2.3, aanhef en onder f, van de Beleidsregels. Het college heeft bekeken of verzoeker in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule, maar dat is niet het geval.
3.3.
Verzoeker heeft op 13 juni 2025 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een urgentieverklaring. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingediend en hij geen geldige reden had voor het niet op tijd maken van bezwaar.
Wat vindt verzoeker?
4.1.
Verzoeker vindt dat het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert daartoe aan dat hij, nadat hij de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring had ontvangen. Het Vierde Huis op 19 januari 2025 per e-mailbericht heeft gevraagd om uitstel voor het indienen van een bezwaarschrift omdat hij voor een medische behandeling tijdelijk in India verbleef. Het Vierde Huis heeft de e-mail niet doorgestuurd aan het college. Ook al is Het Vierde Huis geen bestuursorgaan, het college vergeet dat verzoeker hier geen schuld aan heeft. Het college heeft hem zelf in contact gebracht met Het Vierde Huis. Hij heeft binnen de termijn kenbaar gemaakt dat hij bezwaar wilde maken.
Verder stelt verzoeker dat hij volgens jurisprudentie erop mag vertrouwen dat hij voldoende heeft gedaan als hij binnen de termijn bezwaar maakt bij een door de gemeente inschakelde partij. Hij vindt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Daarnaast voert verzoeker gronden aan tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring.
4.2.
Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om hem, vooruitlopend op de beslissing op het beroep, een urgentieverklaring te verstrekken.
4.3.
Op de zitting heeft de gemachtigde van verzoeker gesteld dat Het Vierde Huis moet worden aangemerkt als bestuursorgaan. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij verwezen naar de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 23 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2260. Het bezwaar is volgens hem dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaken inhoudelijk kunnen worden beoordeeld.
5.2.
Verzoeker voert aan dat er een spoedeisend belang is. De combinatie van een onveilige woning, gezinsuitbreiding, lichamelijke beperkingen, dreigende uithuiszetting door familieleden en het ontbreken van perspectief, maken dat hij niet kan wachten op de behandeling van zijn beroepschrift. Elke dag langer in de woning vergroot het risico op ongelukken, uitval en escalatie. Het college stelt zich echter op het standpunt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om een spoedeisend belang aan te nemen.
5.3.
Hoewel de woonsituatie van verzoeker en zijn gezin verre van ideaal is, hebben zij op dit moment een dak boven hun hoofd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat zij op straat komen te staan. Gelet daarop twijfelt de voorzieningenrechter aan het spoedeisend belang. De voorzieningenrechter ziet echter in alle omstandigheden bij elkaar aanleiding om verzoeker het voordeel van de twijfel te geven en voldoende spoedeisend belang aan te nemen.
Heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
5.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoeker daartegen. [4]
5.5.
Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt. [5] In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending per post, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. [6]
5.6.
In dit geval is het besluit bekendgemaakt op 15 januari 2025. De beroepstermijn liep dus tot en met 26 februari 2025. Het college heeft het bezwaarschrift ontvangen op
13 juni 2025. Dat is dus drieënhalve maand na afloop van de bezwaartermijn en dus te laat.
5.7.
De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat verzoeker geen geldige reden [7] heeft waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend.
5.8.
Niet in geschil is dat Het Vierde Huis geen krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraken van 17 september 2014 [8] nader uiteengezet wanneer sprake is van een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Volgens die bepaling is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon een bestuursorgaan als dat orgaan met openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel alleen bij wettelijk voorschrift worden toegekend. Als een daartoe strekkend wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan. Bij organen van privaatrechtelijke rechtspersonen die geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekken, kan zich een uitzondering op deze regel voordoen, waardoor die organen toch bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb zijn.
5.9.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken van enig wettelijk voorschrift op grond waarvan Het Vierde Huis openbaar gezag is toegekend. Ook overigens heeft Het Vierde Huis geen publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten, zodat ook niet op die grond openbaar gezag is toegekend. De uitzondering als genoemd in de hiervoor aangehaalde uitspraken van
17 september 2014 doet zich hier ook niet voor.
5.10.
Voor het Vierde Huis bestond dan ook geen verplichting om het verzoek om uitstel voor het indienen van een bezwaarschrift door te zenden aan het college. De omstandigheid dat Het Vierde Huis, in opdracht van de gemeente Zoetermeer, woningzoekenden ondersteunt bij het indienen van aanvragen om een urgentieverklaring maakt dat niet anders. De verwijzing van de gemachtigde van verzoeker naar de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal maakt het voorgaande niet anders.
5.11.
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat uit de stukken die verzoeker heeft overgelegd, is gebleken dat Haaglanden WoningNet Woondiensten verzoeker bij e-mailbericht van 20 januari 2025, in antwoord op zijn verzoek om uitstel voor het indienen van zijn bezwaar, heeft meegedeeld dat zij hem hierbij niet kunnen helpen. Verzoeker is erop gewezen dat hij bij de gemeente zelf een bezwaarschrift moet indienen en dat in het besluit staat hoe en waar hij zijn bewaarschrift kan indienen. Verzoeker is ook geadviseerd contact op te nemen met de gemeente. Dat verzoeker dat niet heeft gedaan komt voor zijn risico.
5.8.
Niet valt in te zien waarom verzoeker op dat moment niet alsnog bezwaar kon maken bij het college, desnoods op nader aan te voeren gronden. Ook had hij een ander kunnen vragen om namens hem een bezwaarschrift in te dienen.
5.9.
De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het college het bezwaar van verzoeker terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het college hoefde het bezwaar van verzoeker niet inhoudelijk te behandelen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 4:5, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening in samenhang met artikel 2.1.2, aanhef en onder i, van de Beleidsregels urgentieverklaringen Zoetermeer 2019 (hierna: Beleidsregels).
2.Artikel 4:5, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening in samenhang met artikel 2.1.4, aanhef en onder a, van de Beleidsregels.
3.Artikel 4:5, aanhef en onder i, van de Huisvestingsverordening in samenhang met artikel 2.1.9, aanhef en onder b, van de Beleidsregels.
4.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
5.Artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
6.Artikel 6:9 van de Awb.
7.Artikel 6:11 van de Awb