ECLI:NL:RBDHA:2025:23824

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
NL25.53317
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Zwitserland op grond van Dublinverordening

Eiser diende op 7 augustus 2025 in Nederland een asielaanvraag in, maar de minister nam deze niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De minister baseerde zich op artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gesteund door het feit dat Zwitserland het verzoek tot terugname had aanvaard.

Eiser voerde aan dat Zwitserland tekortkomingen vertoont in de opvang en behandeling van asielzoekers en dat er risico is op indirect refoulement, onderbouwd met rapporten en een uitspraak van het VN-Comité tegen Foltering. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn voor structurele tekortkomingen die een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest rechtvaardigen.

Daarnaast stelde eiser dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden vanwege bijzondere individuele omstandigheden. De rechtbank vond dat de minister dit voldoende heeft gemotiveerd en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en kan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53317

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. O. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het beroep van eiser gaat over het besluit van de minister om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 augustus 2025 in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] , 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin staat dat op grond van de Dublinverordening de minister een asielaanvraag niet in behandeling neemt als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 22 juli 2024 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De minister heeft daarom op 25 september 2025 de autoriteiten van Zwitserland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. Zwitserland heeft dit verzoek op 3 oktober 2025 aanvaard.
3.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat Zwitserland zich aan zijn internationale verplichtingen houdt. Volgens de minister bieden de door eiser overgelegde rapporten geen concrete aanwijzingen dat eiser risico loopt op een schending van zijn rechten in Zwitserland. De minister mag daarom uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook heeft eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen. Verder loopt eiser volgens de minister geen reëel risico op indirect refoulement omdat Zwitserland de asielaanvraag van eiser in behandeling heeft genomen en een effectief beschermingssysteem heeft.
Mag de minister voor Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Zwitserland. Hij verwijst naar verschillende rapporten. [2] Daaruit zou blijken dat tekortkomingen bestaan in de opvang van asielzoekers en de behandeling van opvolgende aanvragen en dat asielaanvragen kunnen worden geweigerd als asielzoekers niet binnen 48 uur na hun asielaanvraag documenten over hun identiteit kunnen overleggen. Eiser wijst daarnaast op een uitspraak van het VN-Comité tegen Foltering (CAT 972/2019), waaruit zou volgen dat Zwitserland geen effectief rechtsmiddel biedt tegen het asielbesluit. Daarom kan volgens eiser een overdracht niet zonder individueel en grondig onderzoek plaatsvinden.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister in beginsel voor Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister erop mag vertrouwen dat de Zwitserse autoriteiten eiser in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Daarbij dient de minister wel na te gaan of sprake is van mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De minister heeft dit naar het oordeel van de rechtbank voldoende gedaan door te verwijzen naar het recente AIDA-rapport van mei 2025 en recente uitspraken van de Afdeling en deze rechtbank en zittingsplaats. [3] Het is vervolgens aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest strijdige behandeling. [4] Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest zal eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [5] Eiser heeft, aldus de minister, niet aannemelijk gemaakt dat er aanknopingspunten zijn voor het bestaan van dergelijke systeemfouten. In dat wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om hier anders over te oordelen. Voorgaande betekent dat, anders dan eiser betoogt, op de minister geen (nadere) onderzoeksplicht rust.
Leidt overdracht aan Zwitserland tot indirect refoulement?
5. Eiser betoogt dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt om indirect te worden uitgezet naar Algerije in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 en Pro 16 van de CAT. Volgens eiser werkt de Zwitserse asielprocedure niet effectief, worden sommige aanvragen te summier behandeld en bestaat geen effectief rechtsmiddel. Daarom bestaat een reëel en voorzienbaar risico dat hij opnieuw een afwijzing krijgt zonder effectieve rechterlijke bescherming.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [6] blijkt dat, in het kader van een Dublinoverdracht, de rechter in de verzoekende lidstaat (in dit geval Nederland), het risico op refoulement in de ontvangende lidstaat (in dit geval Zwitserland) niet mag onderzoeken als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Onder 4.2 heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven over de vraag of eiser door overdracht een risico op (indirect) refoulement loopt.
Had de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich moeten trekken?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet is toegepast. Volgens eiser had de minister reeds in het voornemen moeten ingaan op zijn aangevoerde omstandigheden, en niet pas in het bestreden besluit. Hij stelt dat de tekortkomingen in Zwitserland en het risico op indirect refoulement bijzondere individuele omstandigheden vormen die nopen tot toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet is toegepast. De algemene informatie over Zwitserland is onvoldoende, en eiser heeft niet geconcretiseerd welke persoonlijke omstandigheden tot onevenredige hardheid zouden leiden. Dat de minister pas in het besluit en niet in het voornemen op bepaalde punten ingaat, levert geen motiveringsgebrek op, nu het voornemen een voorbereidingshandeling is en de minister met het besluit tijdig, volledig en kenbaar is ingegaan op waarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet is toegepast.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL25.53318.
2.Eiser verwijst naar de rapporten van: Amnesty International van 29 maart 2022, USDOS van 30 maart 2021 en het AIDA-rapport van mei 2025.
3.ABRvS 10 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4864, ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2025:1250 en Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20066.
4.HvJEU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195 (arrest X).
5.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), onder overwegingen 91-93.
6.HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934. Zie ook ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.