ECLI:NL:RBDHA:2025:20066

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.48340
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 30 oktober 2025, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag op 3 oktober 2025 afgewezen, met het argument dat Zwitserland verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep, samen met een verzoek om een voorlopige voorziening, op 24 oktober 2025 behandeld. De gemachtigden van zowel eiser als de minister waren aanwezig tijdens de zitting.

De rechtbank oordeelt dat de minister het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen voldoende heeft gemotiveerd. Eiser had betoogd dat hij niet adequaat was gehoord, omdat hij geen uitnodiging voor een gehoor had ontvangen. De rechtbank concludeert echter dat eiser wel degelijk was uitgenodigd en dat de uitnodigingen op de juiste wijze zijn bezorgd. De rechtbank stelt vast dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen, maar hier geen gebruik van heeft gemaakt. Het recht op effectieve rechtsbescherming is volgens de rechtbank niet geschonden.

Daarnaast heeft de rechtbank de argumenten van eiser over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening beoordeeld. Eiser betoogde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet was gehoord en dat er risico's waren op indirect refoulement. De rechtbank oordeelt dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland en dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van structurele tekortkomingen die zijn overdracht in gevaar zouden kunnen brengen. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.48340), op 24 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan.
Zwitserland heeft dit verzoek in eerste instantie afgewezen, maar na een verzoek tot heroverweging, zijn de Zwitserse autoriteiten akkoord gegaan.
Heeft de minister het besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en/of is het beginsel van effectieve rechtsbescherming geschonden?
5. Eiser betoogt dat de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, omdat aan hem niet daadwerkelijk de gelegenheid is geboden om te worden gehoord. Eiser zou op 4 en 10 augustus 2025 zijn uitgenodigd voor een gehoor in Ter Apel en deze uitnodigingen zouden zijn uitgereikt. Dit wordt door eiser echter betwist. Hij heeft nooit een uitnodiging ontvangen en er is geen sprake geweest van behoorlijke kennisgeving. Gelet op de mogelijke taalbarrière of psychische omstandigheden, had de minister moeten verifiëren of eiser daadwerkelijk de uitnodigingen heeft ontvangen en begrepen. Daarnaast betoogt eiser dat het recht op effectieve rechtsbescherming is geschonden omdat eiser geen gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren in een gehoor toe te lichten.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier dat eiser tweemaal is uitgenodigd voor een gehoor en dat deze uitnodigingen in persoon aan eiser zijn uitgereikt. In het dossier zitten namelijk twee loopbrieven waarin eiser voor een gehoor op 4 en 8 augustus 2025 is uitgenodigd en uit de verslagen van niet verschijnen van deze gehoren blijkt dat eiser van de medewerker ondersteuning in Ter Apel de uitnodigingen heeft gekregen. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat het in persoon uitreiken ook de gebruikelijke manier is voor het bekendmaken van uitnodigingen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat onduidelijk is of eiser op dat moment wel in Ter Apel zat. De gemachtigde van de minister heeft echter toegelicht dat uit het systeem blijkt dat eiser op de momenten van uitreiking nog wel in Ter Apel zat. Eiser is pas op 12 augustus 2025 overgeplaatst naar Sneek. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen. Eiser heeft hier namelijk niets concreets tegenover gesteld. Het betoog van eiser dat de minister had moeten verifiëren of eiser de uitnodiging ook begrepen heeft, volgt de rechtbank niet. Op de uitnodiging staat namelijk in meerdere talen vermeld dat het gaat om een afspraak en de datum en tijd staan ook duidelijk benoemd op de uitnodiging. Eiser heeft dus voldoende de gelegenheid gekregen om zijn bezwaren in een gehoor te kunnen toelichten, maar heeft van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt. Het recht op effectieve rechtsbescherming is dus niet geschonden.
Mag de minister voor Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat de minister voor Zwitserland niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarbij heeft de minister door enkel te verwijzen naar algemene uitspraken onvoldoende gemotiveerd dat in geval van eiser kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dit kader verwijst eiser naar het AIDA-rapport over Zwitserland van 2023, [2] waaruit blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen, zoals overbevolking in opvangcentra, gebrek aan juridische bijstand, belemmeringen in de toegang tot een effectieve asielprocedure en meldingen van mishandeling van asielzoekers. Volgens eiser had de minister op grond van het arrest X een individueel en grondig onderzoek naar de situatie in Zwitserland moeten doen. [3]
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister in beginsel voor Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister erop mag vertrouwen dat de Zwitserse autoriteiten eiser in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Daarbij dient de minister wel na te gaan of sprake is van mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De minister heeft dit naar het oordeel van de rechtbank voldoende gedaan door in het besluit te verwijzen naar recente uitspraken van rechtbank Den Haag. Het is vervolgens aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling. [4] Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [5] Eiser is hierin niet geslaagd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 25 januari 2025 namelijk bevestigd dat voor Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [6] In dat wat eiser heeft aangevoerd, inclusief dat wat hij heeft aangevoerd over zijn individuele omstandigheden, ziet de rechtbank geen reden om hier anders over te oordelen. Voorgaande betekent dat, anders dan eiser betoogt, op de minister geen (nadere) onderzoeksplicht rust.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom artikel 17 van de Dublinverordening niet is toegepast?
7. Eiser betoogt dat de minister in het besluit onvoldoende ingaat op hetgeen eiser in de zienswijze in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening heeft aangevoerd.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft in zijn zienswijze in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening aangevoerd dat hij ten onrechte niet gehoord is en dat hij vreest voor indirect refoulement. De minister is op beide punten ingegaan in het bestreden besluit. Dat wat eiser in beroep heeft aangevoerd over zijn individuele omstandigheden, maakt niet dat de minister hierop nader had moeten reageren. Eiser heeft namelijk enkel gesteld dat sprake is van individuele omstandigheden maar heeft niet toegelicht welke individuele omstandigheden dit zijn en waarom deze omstandigheden moeten leiden tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.
Indirect refoulement
8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat overdracht aan Zwitserland niet zal leiden tot schending van het verbod op (indirect) refoulement. Eiser vreest namelijk dat hij door de Zwitserse autoriteiten zal worden teruggestuurd naar Marokko.
8.1.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [7] blijkt, in het kader van een Dublinoverdracht, dat de rechter in de verzoekende lidstaat (in dit geval Nederland), het risico op refoulement in de ontvangende lidstaat (in dit geval Zwitserland) niet mag onderzoeken als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Onder 6.1 heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven over de vraag of eiser door overdracht een risico op (indirect) refoulement loopt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 3 oktober 2025 in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.AIDA Country Report on Switzerland – 2023 Update.
3.HvJEU 7 november 2013, ECLI:EU:C:2013:720.
4.HvJEU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195 (arrest X).
5.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), onder overwegingen 91-93.
7.HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934. Zie ook ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.