ECLI:NL:RBDHA:2025:20066
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 30 oktober 2025, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag op 3 oktober 2025 afgewezen, met het argument dat Zwitserland verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep, samen met een verzoek om een voorlopige voorziening, op 24 oktober 2025 behandeld. De gemachtigden van zowel eiser als de minister waren aanwezig tijdens de zitting.
De rechtbank oordeelt dat de minister het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen voldoende heeft gemotiveerd. Eiser had betoogd dat hij niet adequaat was gehoord, omdat hij geen uitnodiging voor een gehoor had ontvangen. De rechtbank concludeert echter dat eiser wel degelijk was uitgenodigd en dat de uitnodigingen op de juiste wijze zijn bezorgd. De rechtbank stelt vast dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen, maar hier geen gebruik van heeft gemaakt. Het recht op effectieve rechtsbescherming is volgens de rechtbank niet geschonden.
Daarnaast heeft de rechtbank de argumenten van eiser over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening beoordeeld. Eiser betoogde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet was gehoord en dat er risico's waren op indirect refoulement. De rechtbank oordeelt dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland en dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van structurele tekortkomingen die zijn overdracht in gevaar zouden kunnen brengen. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.