ECLI:NL:RBDHA:2025:23759

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
NL24.46585
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 6 Besluit 1/80Artikel 13 Besluit 1/80Artikel 19 Vreemdelingenwet 2000Artikel 18 lid 1 aanhef en onder f Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning kennismigrant met terugwerkende kracht

De zaak betreft de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser, een Turkse werknemer die als kennismigrant in Nederland verbleef. De minister trok de vergunning met terugwerkende kracht in per 30 november 2023, nadat eiser zijn dienstverband had beëindigd en niet binnen de zoekperiode een nieuwe baan vond bij een erkend referent.

Eiser betwistte de intrekking en voerde aan dat de standstill-bepaling van artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 van toepassing is, omdat hij rechten zou hebben opgebouwd op grond van artikel 6 van Pro dat besluit. De rechtbank oordeelt echter dat eiser deze rechten niet heeft opgebouwd, mede omdat hij niet langer in dienst was bij een erkend referent en geen legale arbeid verrichtte.

De rechtbank stelt vast dat de intrekking met terugwerkende kracht terecht is en dat de standstill-bepaling niet van toepassing is. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het beroep wordt ongegrond verklaard. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof op 9 december 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46585

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Eiser is daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht heeft ingetrokken. Eiser betwist op zitting niet langer dat hij geen rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 [1] en niet tot de legale arbeidsmarkt behoort. Artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 is niet op hem van toepassing. Het beroep is daarom ongegrond. De rechtbank licht hieronder toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 mei 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als kennismigrant’ met terugwerkende kracht ingetrokken per 30 november 2023. Met het besluit van 10 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, maar is wel bij de intrekking gebleven en heeft de datum van de intrekking gewijzigd naar 1 maart 2024 omdat op die datum de zoekperiode is afgelopen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.

Totstandkoming besluit

Wat is er aan de procedure voorafgegaan?
3. Op 2 september 2022 heeft [naam bedrijf 1] BV als erkend referent voor eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘arbeid als kennismigrant’. Eiser kreeg deze vergunning bij [naam bedrijf 1] BV op 21 oktober 2022. Eiser heeft hier iets meer dan een jaar gewerkt. Vervolgens heeft [naam bedrijf 2] BV als erkend referent voor eiser op 17 oktober 2023 een nieuwe aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘arbeid als kennismigrant’. Die werd verleend met een geldigheid van 10 november 2022 tot 1 mei 2026.
3.1.
Op 5 februari 2024 heeft [naam bedrijf 2] BV gemeld dat hij niet langer optreedt als erkend referent voor eiser. Eiser nam op 30 november 2023 ontslag en keerde volgens [naam bedrijf 2] BV wegens ‘heimwee’ terug naar Turkije. De minister trok daarop op 19 mei 2024 de verblijfsvergunning van eiser in met terugwerkende kracht vanaf 30 november 2023, omdat eiser vanaf die datum niet meer voldeed aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning [2] : hij had zijn hoofdverblijf verplaatst en was niet langer in dienst bij een erkend referent. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit verklaarde de minister gegrond, voor zover dat was gericht tegen de aanname dat hij zijn hoofdverblijf had verplaatst. Eiser had zijn hoofdverblijf niet verplaatst. Maar de intrekking van de verblijfsvergunning bleef gehandhaafd omdat eiser geen arbeidsovereenkomst had met een erkend referent. Wel had eiser na het beëindigen van zijn dienstverband nog een termijn van drie maanden, binnen welke periode hij naar ander werk kon zoeken. De intrekking van de vergunning per datum ontslag was daarom niet juist. Omdat eiser in de periode van 30 november 2023 tot 1 maart 2024 geen nieuwe baan vond als kennismigrant, heeft de minister de intrekkingsdatum alsnog bepaald op 1 maart 2024, het einde van de zoekperiode.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht de minister de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht intrekken?
4. Eiser betoogt dat zijn verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht tot 1 maart 2024 mag worden ingetrokken, omdat dit in strijd is met het Turks associatierecht, in het bijzonder de standstill-bepaling in artikel 13 van Pro Besluit 1/80. Volgens het WODC-rapport ‘Rechtspositie Turkse Onderdanen’ kan een intrekking met terugwerkende kracht alleen plaatsvinden bij frauduleus handelen. Eiser voert aan dat hij tijdens zijn verblijf in Nederland rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80, omdat hij langer dan een jaar bij dezelfde werkgever heeft gewerkt. Zelfs als eiser nog geen jaar zou hebben gewerkt, is dit artikel alsnog van toepassing. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser op twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem en ‘s-Hertogenbosch. [3]
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht mocht worden ingetrokken.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat eiser op de zitting niet langer betwist dat hij geen rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80. Omdat eiser binnen de zoekperiode geen nieuw dienstverband is aangegaan, is hij zijn status van tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer verloren. Anders dan eiser betoogt, brengt dit enkele gegeven reeds mee dat de standstill-bepaling uit artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 op zijn situatie niet van toepassing is. Uit de bewoordingen van artikel 13 van Pro het Besluit 1/80
volgt dat het begrip ‘werknemer’ in de zin van dit artikel dezelfde is als die in artikel 6 van Pro het Besluit 1/80: ‘werknemer’ is een Turks onderdaan die daadwerkelijk arbeid in loondienst verricht of die tijdelijk niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Eiser voldoet hier niet aan. Dat eiser zijn bezwaarprocedure in Nederland mocht afwachten maakt dat niet anders. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt in het verweerschrift, levert het feit dat eiser zich tijdens de bezwaarprocedure in Nederland bevond slechts een procedurele verblijfsstatus op en geen stabiele verblijfspositie, die veronderstelt dat het verblijfsrecht niet wordt betwist. [4] De arbeid die hij daarna verrichte bij [naam bedrijf 3] B.V. (15 mei - 30 november 2024), [naam bedrijf 4] B.V. (1 januari - 31 mei 2025) en [naam bedrijf 5] B.V. (1 juli 2025 - heden) kan daarom niet als legale arbeid tijdens legaal verblijf worden aangemerkt. Hieruit volgt dat eiser niet tot de legale arbeidsmarkt behoort en daarom geen beroep kan doen op artikel 13 van Pro het Besluit 1/80. De uitspraken waar eiser naar verwijst, maken het voorgaande niet anders omdat daarin wél sprake was van legaal verblijf en legale arbeid.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Besluit 1/80 van 19 september 1980 van de Associatieraad.
2.Artikel 19 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. De Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), specifiek paragraaf B1/6.3, vult deze discretionaire bevoegdheid verder in door te bepalen dat de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop niet (langer) aan de voorwaarden wordt voldaan.
3.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 8 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:207 en rb. Den Haag (zp. ’s-Hertogenbosch) 15 september 2022, zaaknummer: AWB 21/143 (niet gepubliceerd).
4.Vgl. ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1342, r.o. 4.2.