ECLI:NL:RBDHA:2025:23674

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/1324
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verkeersbesluit voor het reserveren van parkeerplaatsen voor elektrische voertuigen

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 18 november 2025, wordt het beroep van eisers tegen een verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] beoordeeld. Het verkeersbesluit, genomen op 2 augustus 2024, houdt in dat twee parkeerplaatsen aan de [straatnaam] in [plaats] worden gereserveerd voor het opladen van elektrische voertuigen. Eisers, bewoners van de nabijgelegen woningen, zijn van mening dat het besluit onterecht is genomen, omdat er geen aanvraag is ingediend door een laadexploitant namens de bezitter van een elektrische auto, zoals het beleid vereist. Ze stellen dat het besluit niet voldoet aan de voorwaarden van het Plaatsingsbeleid Laadinfrastructuur 2024 en dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de behoefte aan een laadpaal op deze specifieke locatie.

De rechtbank oordeelt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het Plaatsingsbeleid van toepassing is op het strategisch plaatsen van laadpalen. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit niet voldoet aan de zorgvuldigheids- en motiveringsbeginselen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de rechtbank benadrukt dat dit niet betekent dat de laadpaal verwijderd moet worden. De rechtbank bepaalt ook dat verweerder het griffierecht en proceskosten aan eisers moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1324

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: S.H.J. Zwirs),
en

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] , verweerder

(gemachtigden: D. Jansen en R. Veelenturf).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het verkeersbesluit van 2 augustus 2024 (het verkeersbesluit) waarbij twee parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen worden gereserveerd aan de [straatnaam] (naast [adres] ) in [plaats] .
1.1.
Met het besluit van 6 januari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Laadexploitant Opcharge heeft verweerder verzocht een publieke laadpaal voor elektrische voertuigen te mogen plaatsen bij twee parkeerplaatsen aan de [straatnaam] (naast [adres] ) in [plaats] . Verweerder heeft naar aanleiding van dit verzoek op 2 augustus 2024 een verkeersbesluit genomen en bepaald dat deze twee parkeerplaatsen worden gereserveerd voor het opladen van elektrische voertuigen en dat de daarbij behorende verkeersborden worden geplaatst. [1] Eisers wonen aan de [straatnaam] in [woonplaats] (gemeente [gemeente] ), tegenover de parkeervakken waar het verkeersbesluit op ziet. Zij zijn het niet eens met het besluit van verweerder om de twee parkeervakken aan te wijzen als parkeerplaats voor het opladen van elektrische voertuigen. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder dit verkeersbesluit heeft mogen nemen.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder zijn eigen beleidsregels overtreedt. Zij benadrukken dat er géén aanvraag voor een laadpaal is ingediend door een laadexploitant namens de bezitter van een elektrische auto, zoals het beleid vereist, maar alleen door de laadexploitant. [2] Die aanvraag voldoet op verschillende punten niet aan de voorwaarden. Het besluit om een laadpaal te plaatsen op deze specifieke locatie is een eenzijdige beslissing, uitsluitend gebaseerd op de doelstelling van de gemeente om 500 laadpalen te realiseren. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke behoefte aan een laadpaal op deze locatie en is er geen participatietraject aan het verkeersbesluit vooraf gegaan. Eisers voelen zich onvoldoende gehoord. Verweerder heeft onvoldoende gekeken naar de belangen van omwonenden en de voor hen nadelige gevolgen van het plaatsen van de laadpaal. Het onderzoek naar de parkeerdruk dat verweerder heeft laten uitvoeren is niet representatief. Verweerder heeft ook onvoldoende gekeken naar de alternatieve locaties en oplaadmogelijkheden die eisers hebben aangedragen, zoals een laadpaal in een lantaarnpaal. Daarbij had verweerder de complete KLIC [3] kaart met eisers moeten delen en niet slechts een gedeelte daarvan, zodat eisers konden onderzoeken of er nog meer geschikte alternatieve locaties zijn voor de laadpaal. Het bestreden besluit is volgens eiseres in strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Verder is het bestreden besluit in strijd met het beleid, omdat er vanuit de woning van eisers direct zicht is op de laadpaal en omdat een laadpaal volgens het beleid pas mag worden geplaatst als het verkeersbesluit onherroepelijk is. De laadpaal is echter al geplaatst terwijl er nog een beroepsprocedure loopt.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder wijst op het Plaatsingsbeleid Laadinfrastructuur 2024 [4] (het Plaatsingsbeleid) dat leidend is bij het beoordelen van aanvragen vanuit de marktpartij en/of bewoners. De marktpartij heeft voor deze locatie een aanvraag gedaan en de locatie voldoet aan de voorwaarden uit het Plaatsingsbeleid. Vooruitlopend op de vraag van gebruikers acht verweerder het wenselijk om in samenwerking met marktpartijen op strategische plekken laadpalen te plaatsen om zo te komen tot een dekkend laadnetwerk binnen de gemeente. Daarbij baseert verweerder zich op de prognoses die zijn opgesteld door Over Morgen, in opdracht van de Regionale Aanpak Laadinfrastructuur Zuidwest. Anders dan eisers stellen, is er behoefte aan een laadvoorziening op deze specifieke locatie. Volgens het Plaatsingsbeleid is een voorafgaand participatietraject niet noodzakelijk. Gedurende het besluitvormingsproces zijn de belangen van de elektrische rijders in voldoende mate afgewogen tegen de belangen van omwonenden. Een hoge parkeerdruk is op zichzelf onvoldoende om van het plaatsen van een laadpaal af te zien. Verweerder wijst op rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. [5] Er is ook een nieuw parkeeronderzoek uitgevoerd. Daaruit volgt dat de parkeerdruk weliswaar enigszins is verhoogd sinds het vorige onderzoek, maar met 75% is de parkeerdruk nog niet dusdanig hoog dat het plaatsen van een laadpaal onevenredig is. Verweerder is verder in voldoende mate ingegaan op de alternatieve locaties en laadopties die door eisers zijn aangedragen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Voor het plaatsen van het verkeersbord E8c uit bijlage 1 van het RVV 1990 (Parkeergelegenheid alleen bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen) is vereist dat verweerder een verkeersbesluit neemt. [6] In het verkeersbesluit van 2 augustus 2024 heeft verweerder onder meer vermeld dat de gemeente [gemeente] zich inzet om een gezonde en duurzame gemeente te zijn. Het faciliteren van elektrische auto’s past hierbij. Verder staat vermeld dat de ambitie om elektrisch vervoer en de elektrisch rijder te stimuleren is vastgelegd in de Integrale visie laadinfrastructuur 2020. De gemeente stelt zichzelf ten doel om alle elektrische rijders de mogelijkheid te bieden hun auto op te laden bij, of in de directe omgeving van hun woning op voorwaarde dat een locatie voldoet aan het Plaatsingsbeleid Laadinfrastructuur 2023. Locaties worden bepaald aan de hand van aanvragen van bezitters van elektrische auto’s, maar laadpalen worden ook geplaatst in gebieden die een bepaalde verkeer aantrekkende werking hebben zoals winkelgebieden en nieuwbouwwijken. Vooruitlopend op de vraag is het wenselijk om op strategische plekken laadpalen te plaatsen. Met de regio Holland Rijnland is een plankaart ontwikkeld naar de laadbehoefte tot 2025. Op basis van deze kaart wil de gemeente [gemeente] op strategische plaatsen laadpalen gaan plaatsen met een marktpartij. Verweerder stelt in het verkeersbesluit daarnaast dat met dat besluit wordt beoogd het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, zoals bedoeld in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994).
5.2.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Hij verwijst hierbij naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 19 december 2024. In het advies staat dat tijdens de hoorzitting en bij beantwoording van vragen van de commissie uitgebreid is gemotiveerd dat het verkeersbesluit mede is genomen in het licht van het gemeentelijke plaatsingsbeleid en dat een aanvraag voor het plaatsen van een laadpaal wordt getoetst aan de voorwaarden van het Plaatsingsbeleid. Ook wordt in het advies aangehaald dat verweerder het vooruitlopend op de behoefte wenselijk acht om in samenwerking met een marktpartij op strategische plekken laadpalen te plaatsen om te komen tot een dekkend laadnetwerk.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het voorgaande niet deugdelijk gemotiveerd waarom het Plaatsingsbeleid van toepassing is op het strategisch plaatsen van laadpalen, zoals hier aan de orde. Dat in dit geval géén aanvraag door een laadexploitant namens de bezitter van een elektrische auto is gedaan, is namelijk niet in geschil. Dat het Plaatsingsbeleid ook van toepassing is op het strategisch plaatsen van laadpalen blijkt niet zonder meer uit het beleid, nu er in het Plaatsingsbeleid zelf geen verdere invulling is gegeven aan het strategisch plaatsen van laadpalen. In het Plaatsingsbeleid Laadinfrastructuur van de gemeente [gemeente] dat geldt vanaf 18 oktober 2024 staat onder ‘1.4 Leeswijzer’ slechts genoemd dat in hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de visie voor de komende jaren waarin de aanpak wijzigt van vraaggestuurd plaatsen naar strategische plaatsing van laadpalen. Die visie is in hoofdstuk 2 echter niet te vinden. De voorwaarden voor het strategisch plaatsen van laadpalen zijn ook niet verder uitgewerkt in dit beleidsdocument. Op zitting heeft verweerder erkend dat dit een hiaat is in het Plaatsingsbeleid.
5.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ook niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij bij het beoordelen van de aanvraag is afgeweken van het Plaatsingsbeleid dat hij blijkbaar van toepassing heeft geacht bij het strategisch plaatsen van laadpalen. Zoals hiervoor is overwogen is niet in geschil dat er in dit geval geen aanvraag is gedaan door de laadexploitant namens de bezitter van een elektrische auto (via de website laadpaalnodig.nl), terwijl dit gelet op het Plaatsingsbeleid wel is vereist. [7] Marktpartij Opcharge heeft op eigen initiatief de aanvraag gedaan voor het plaatsen van een laadpaal, met als onderbouwing: ‘Er staan nog maar weinig palen in deze wijk en dit is een van de weinige parkeerplekken in deze hoek waar mooi een paal kan staan’. Eisers voeren terecht aan dat de aanvraag niet lijkt te voldoen aan verschillende voorwaarden uit het Plaatsingsbeleid zoals vermeld onder ‘4. aanvraag procedure verkeersbesluit en beoordeling aanvraag’. De aanvraag bevat namelijk niet de gegevens van de gebruiker(s), geen bevestiging van de aanvrager dat hij niet op eigen terrein kan parkeren en ook niet de uitvoering van en het type oplaadpaal. Verweerder heeft ter zitting niet goed kunnen uitleggen waarom deze voorwaarden hier niet van toepassing zijn, en welke voorwaarden dan wel zouden gelden bij een aanvraag door een laadexploitant voor het strategisch plaatsen van een laadpaal. De rechtbank concludeert dat verweerder bij het nemen van de beslissing op bezwaar niet heeft onderkend dat hier een andere situatie aan de orde is dan die waarop het Plaatsingsbeleid ziet. Daarmee heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.
5.5.
Omdat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld en het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd, is het beroep van eisers alleen hierom al gegrond. Verweerder zal in de nieuwe beslissing op bezwaar beter moeten motiveren waarom hij het Plaatsingsbeleid ook van toepassing acht op het strategisch plaatsen van een laadpaal en, als hij dit beleid ook in deze situatie van toepassing acht, aan welke voorwaarden uit het Plaatsingsbeleid hij dan precies toetst. De rechtbank merkt hierbij nog wel op dat dit niet wil zeggen dat de rechtbank van oordeel is dat het Plaatsingsbeleid op zichzelf onredelijk is, of dat verweerder onder geen beding een verkeersbesluit had mogen nemen. Verweerder moet alleen beter uitleggen waarom en hoe hij toetst aan beleidsregels die niet zien op het strategisch plaatsen van laadpalen, zoals hier aan de orde.
5.6.
Omdat het beroep gegrond is, gaat de rechtbank niet inhoudelijk in op de overige beroepsgronden van eisers, en dus ook niet op wat eisers hebben aangevoerd over de overige voorwaarden uit het Plaatsingsbeleid.
5.7.
De rechtbank overweegt tot slot dat deze uitspraak niet met zich brengt dat verweerder de laadpaal moet verwijderen. De rechtbank vernietigt met haar uitspraak alleen het bestreden besluit en niet ook het verkeersbesluit. Bovendien is een verkeersbesluit alleen vereist voor het plaatsen van de bebording (het reserveren van de parkeerplekken voor het opladen van elektrische voertuigen) en niet ook voor het feitelijk plaatsen van de laadpaal. De gemeente mag in principe een laadpaal plaatsen zonder een verkeersbesluit te nemen. Het strekt daarom op dit moment en in het kader van deze procedure te ver om verweerder op te dragen de laadpaal te verwijderen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. [8] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen.
6.2.
Eisers hebben op het formulier proceskosten reiskosten opgegeven die zij hebben moeten maken in verband met het beroep, alsook verletkosten voor het bijwonen van de zitting vanwege het niet kunnen verrichten van werkzaamheden voor de eenmanszaak van eiser.
6.3.
De reiskosten van eisers van € 19,32 (2x € 9,66) komen op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) voor vergoeding in aanmerking. De door eisers opgegeven parkeerkosten van € 16,- komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het Bpb daarin niet voorziet. [9] Onder verletkosten wordt verstaan de kosten van tijdsverzuim voor bijvoorbeeld het bijwonen van de zitting en de heen- en de terugreis. Tijdsverzuim in verband met voorbereidende handelingen vallen daar niet onder. Eisers hebben de opgegeven verletkosten nader onderbouwd. Gelet op de redelijkerwijs te verwachten reistijd tussen het woonadres van eisers en de zitting in Den Haag, en de tijd die de zitting bij de rechtbank in beslag heeft genomen, acht de rechtbank een verlet van 4 uren redelijk. De vergoeding voor verletkosten bedraagt dus € 240,- (4x € 60,-). Er is geen sprake van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Alleen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om de reiskosten van gemachtigde van eisers te vergoeden, nu eisers zelf ook ter zitting van de rechtbank zijn verschenen. [10] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 259,32 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bord E8c uit bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) met onderborden ‘alleen opladen elektrische voertuigen’ en OB504 + bijbehorende markering.
2.Zie het Plaatsingsbeleid onder 3.1 Begripsbepalingen, waar aanvrager is gedefinieerd als ‘een aanbieder van oplaadpalen en/of andere infrastructuur die een aanvraag namens de bezitter van een elektrische auto (een bedrijf of bewoner) indient’.
3.Kabels en Leidingen Informatie Centrum.
4.Februari 2024.
5.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), uitspraak van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:439.
6.Zie artikel 15, eerste lid, van de Wvw 1994, in samenhang gelezen met artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw) en Hoofdstuk E van Bijlage 1 Verkeersborden, van het RVV 1990.
7.Zie noot 2.
8.Artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) van 14 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1535.
10.Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2385.