ECLI:NL:RBDHA:2025:23613

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
NL25.49682, NL25.49683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag en voorlopige voorziening van eiser tegen niet-ontvankelijk verklaring door de minister van Asiel en Migratie

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 11 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn asielaanvraag behandeld. Eiser, een Eritreese nationaliteit, heeft op 6 april 2025 een asielaanvraag ingediend, maar deze werd op 10 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank behandelt zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening gezamenlijk op 27 november 2025. Eiser stelt dat hij in Italië geen internationale bescherming meer heeft en dat zijn asielstatus daar verlopen is. Hij wijst op structurele tekortkomingen in de opvang van statushouders in Italië en vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer. De rechtbank oordeelt dat de minister niet zonder meer kan aannemen dat eiser nog over een asielstatus in Italië beschikt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen 12 weken opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, omdat er geen aanleiding meer voor is. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van in totaal €2.721,- aan de gemachtigde van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.49682 (beroep) en NL25.49683 (voorlopige voorziening).
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn asielaanvraag. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening dat door eiser is ingediend.
1.1
Eiser heeft op 6 april 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
1.2
Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard [1] .
1.3
Eiser heeft bij de rechtbank beroep (NL25.49682) ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL25.49683) te treffen.
1.4
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 november 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Mesfun als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1974 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Eiser is naar eigen zeggen in 2004 uit Eritrea vertrokken en is vervolgens via Sudan en Libië in 2005 naar Europa gereisd. Eiser is aangekomen in Italië en is vervolgens naar eigen zeggen naar Zwitserland, Duitsland, Zweden, Noorwegen en ten slotte naar Nederland doorgereisd. Eiser stelt dat hij in alle hiervoor genoemde landen een asielaanvraag heeft ingediend, maar steeds werd verzocht terug te keren naar Italië. Omdat bij raadpleging van Eurodac is gebleken dat de meest recente asielaanvraag van eiser geregistreerd was in Duitsland, heeft verweerder op 27 mei 2025 een Dublinclaim verstuurd aan de Duitse autoriteiten. Deze Dublinclaim hebben de Duitse autoriteiten niet geaccepteerd, omdat in een document, gedateerd op 19 september 2016, staat dat aan eiser een asielstatus is verleend door de Italiaanse autoriteiten.
2.1
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, vanwege internationale bescherming in een andere EU-lidstaat. Nu er volgens verweerder geen concrete aanwijzingen zijn dat de asielstatus van eiser is ingetrokken of beëindigd en niet aannemelijk is dat Italië - in strijd met het interstatelijk vertrouwensbeginsel - zijn verplichtingen naar vluchtelingen onder het EVRM [2] , het Vluchtelingenverdrag en het Antifolterverdrag niet nakomt, heeft eiser geen recht op asiel in Nederland en is eiser aangezegd dat hij onmiddellijk moet terugkeren naar Italië.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
3.1
Eiser stelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat hij nog over internationale bescherming in Italië beschikt. De informatie waar verweerder zich op baseert is al 9 jaar oud en Italië verleent slechts asielvergunningen voor de duur van vijf jaar. Zijn status is dus al verlopen en verweerder moet op grond van actuele en verifieerbare gegevens vaststellen of eiser nog steeds internationale bescherming geniet in Italië. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak [3] van de hoogste bestuursrechter.
3.2
Eiser stelt ook dat hij ten onrechte niet als bijzonder kwetsbaar is aangemerkt vanwege zijn diabetes. Eiser is dagelijks afhankelijk van medicatie en ondergaat ook medische controles.
3.3
Ten aanzien van Italië mag verweerder ook niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang van en voorzieningen voor statushouders. Eiser kan in Italië geen daadwerkelijke en effectieve toegang tot huisvesting, zorg en documentatie krijgen, omdat hij geen geld heeft. Eiser vreest bij terugkeer naar Italië voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en verwijst in dit kader naar het AIDA-rapport Italië van juli 2025, waaruit blijkt dat er een gebrek is aan tweedelijnsopvang voor statushouders, dat statushouders slechts zes maanden kunnen verblijven in deze opvang en dat er onvoldoende aanbod van sociale woningen voor immigranten in Italië is. Eiser wijst hierbij op recente jurisprudentie [4] .
3.4
Tot slot voert eiser aan dat het onmogelijk en onevenredig is voor hem om onmiddellijk naar Italië te vertrekken, nu hij geen geld en geen reisdocumenten heeft.
4. Verweerder heeft op de zitting gereageerd op de beroepsgronden van eiser en verzocht tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet zonder meer van uit mocht gaan dat eiser (nog) over een asielstatus in Italië beschikt. Eiser krijgt dus gelijk en verweerder moet opnieuw op de asielaanvraag van eiser beslissen. Redengevend daarvoor is het volgende.
5.1
Bij de toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vanwege internationale bescherming in een andere lidstaat van de Europese Unie hanteert verweerder het volgende beleid, zoals vastgelegd in paragraaf C2/6.1 van de Vc [5] :
Die bescherming van de vreemdeling kan in ieder geval blijken uit:
  • Een verblijfsdocument;
  • Het Eurodac Search Result;
  • Informatie van de betreffende lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling bescherming geniet, dan wel (opnieuw) in aanmerking komt voor bescherming;
  • Verklaringen van de vreemdeling waaruit volgt dat hij in een andere EU-lidstaat bescherming geniet.
Wanneer het verblijfsdocument van de vreemdeling verlopen is, wil dat niet zeggen dat de vreemdeling geen bescherming meer geniet in de betreffende EU-lidstaat. In dat geval moet worden nagegaan of de bescherming nog steeds van toepassing is.
5.2
Uit vaste jurisprudentie [6] van de Afdeling volgt verder dat verweerder in beginsel mag afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Daarvoor is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Voorts moet uit de informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Als het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende recent is dan wel onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, heeft verweerder een vergewisplicht en zal hij nader onderzoek moeten doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning dan wel een andere toestemming tot verblijf beschikt.
5.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het enkele verwijzen naar een document uit 2016 dat door de Franse autoriteiten aan de Duitse autoriteiten is verstrekt en wat hij vervolgens in reactie op een Dublinclaim van de Duitse autoriteiten heeft ontvangen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser (nog steeds) internationale bescherming heeft in Italië. De inhoud van dit document wordt niet bevestigd door de zoekresultaten uit Eurodac. Uit de door verweerder overgelegde Eurodac-uitdraai blijkt namelijk alleen van een asielaanvraag in Duitsland in 2015 en een asielaanvraag in Zwitserland in 2016. Uit Eurodac blijkt niet dat eiser asiel heeft aangevraagd in Italië of dat hij, zoals het overgelegde document suggereert, een asielstatus heeft verkregen in die lidstaat in 2016. Gelet hierop en nu eiser zelf verklaard heeft dat hij niet weet of hij nog een asielstatus in Italië heeft en ook anderszins niet is gebleken wat zijn verblijfsrechtelijke positie is, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet zonder meer op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Verweerder had op basis van de beschikbare gegevens een vergewisplicht om nader te onderzoeken of eiser in Italië nog rechtmatig verblijf heeft. Nu verweerder die verplichting niet is nagekomen, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.
5.4
Reeds daarom is het beroep gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Conclusies en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting en zal het bestreden besluit vernietigen. Verweerder moet met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser beslissen en krijgt daarvoor een termijn van 12 weken.
7. Omdat er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
8. Er bestaat in dit geval aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt dat bedrag voor de behandeling van het beroep vast op €1.814,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt €907,-, wegingsfactor 1). Ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening moet verweerder de proceskosten vergoeden. De voorzieningenrechter stelt dat bedrag vast op €907,- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van €907,- per punt, wegingsfactor 0.5). Omdat voor de onderbouwing van het verzoekschrift is verwezen naar de beroepsgronden en het verzoek ter zitting niet inhoudelijk is besproken, acht de rechtbank deze zaak van licht gewicht en past daarom wegingsfactor 0.5 toe. Verweerder moet het totaalbedrag van € 2.721,- betalen aan de gemachtigde van eiser.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen 12 weken opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-.
De voorzieningenrechter
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-
Deze uitspraken zijn gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven vermeld.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep mogelijk.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1069.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441 en de uitspraken van de Afdeling van 12 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3127 en ECLI:NL:RVS:2014:3128.