ECLI:NL:RBDHA:2025:23582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
NL25.56385
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van eiser, een Libanese nationaliteit hebbende persoon, tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister heeft dit besluit genomen op basis van de Dublinverordening, waarbij Spanje als verantwoordelijk land is aangewezen voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser heeft op 18 november 2025 zijn aanvraag ingediend, maar de minister heeft deze niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is. Eiser heeft zijn beroep op 2 december 2025 behandeld in de rechtbank, maar was niet aanwezig. De rechtbank heeft de argumenten van eiser beoordeeld, waaronder claims over de slechte omstandigheden voor asielzoekers in Spanje en het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank concludeert dat de minister in zijn algemeenheid mag uitgaan van dit beginsel en dat eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd dat zijn overdracht aan Spanje zou leiden tot een schending van zijn rechten onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en kan in hoger beroep gaan tegen deze uitspraak.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56385
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.S. Frickus),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Libanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Hiertoe voert eiser aan dat er in Spanje extreem lange wachttijden zijn voordat asielzoekers een asielaanvraag kunnen indienen. De opvangcentra kampen sinds 2023 met overbevolking en slechte hygiënische omstandigheden. Zowel asielzoekers als Dublinclaimanten belanden dan ook geregeld op straat. De rechtsbijstand vertoont in de grensprocedures ernstige structurele tekortkomingen wegens korte termijnen, een gebrek aan advocaten en ontoereikende beschikbaarheid van tolken. Eiser heeft psychische problemen overgehouden aan zijn ervaringen in Spanje. Eiser verwijst naar het AIDA-rapport over Spanje, update 2024. Verder loopt er sinds januari 2023 een inbreukprocedure tegen Spanje wegens het niet volledig omzetten van de Opvangrichtlijn. Het EHRM2 heeft vastgesteld dat ten aanzien van Spanje sprake is van pushbacks en collectieve uitzettingen. Ook heeft het EHRM geoordeeld3 dat ten aanzien van Spanje sprake is van falend administratief handelen.
7. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 24 juni 20244 en 3 februari 20255 nog bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo. Eiser is hierin niet geslaagd.
8. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Spanje niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. In de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2024 is geoordeeld dat het AIDA-rapport, update 2024, geen wezenlijk ander beeld schetst dan waar de Afdeling eerder al over heeft geoordeeld. De rechtbank merkt verder op dat de gronden die door eiser in beroep zijn aangevoerd een identieke kopie zijn van hetgeen in de zienswijze door eiser is aangevoerd. De rechtbank constateert dat de minister hier in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op is ingegaan. Eiser is ter zitting niet met nieuwe informatie gekomen waaruit structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem ten aanzien van Spanje volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij in het aanmeldgehoor van 24 september 2025 heeft verklaard dat hij problemen heeft met een aantal personen in Spanje. De gehoormedewerker heeft hierop niet doorgevraagd naar deze problemen of met wie deze problemen geweest zouden zijn. Hierdoor is eiser onvoldoende in de gelegenheid gesteld om zijn problemen danwel bezwaren tegen overdracht aan Spanje kenbaar te maken.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2 Europees Hof van de Rechten van de Mens.
3 N.D. AND N.T. v. SPAIN,
8675/15 and 8697/15.
10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in het aanmeldgehoor op pagina 4 verklaard dat hij in Spanje problemen heeft gehad met een aantal personen. Hierop is gevraagd of eiser persoonlijke problemen heeft ervaren met de autoriteiten van Spanje. Eiser antwoordde hierop dat hij die niet had. Vervolgens is aan eiser gevraagd of hij al zijn bezwaren tegen mogelijke overdracht aan Spanje kenbaar heeft gemaakt. Eiser antwoordde hierop “ja”. Ook heeft eiser na zijn aanmeldgehoor nog de gelegenheid gehad om deze problemen of andere bezwaren toe te lichten in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor, in de zienswijze en in de gronden van beroep. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gekregen om zijn bezwaren kenbaar te maken en toe te lichten. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Spanje onevenredig hard is. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.