ECLI:NL:RBDHA:2025:23434

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL25.58056
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a VwArt. 94, eerste lid VwArt. 5.1b, derde lid VbArt. 5.1b, vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking en uitzetting

Eiser, met Marokkaanse nationaliteit, is op 29 oktober 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser voerde aan dat het proces-verbaal van het gehoor onrechtmatig was ondertekend en dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko of Algerije bestond.

De rechtbank oordeelde dat het digitale ondertekenen van het proces-verbaal na oplegging van de maatregel geen gebrek oplevert, aangezien het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft plaatsgevonden. De gronden voor de bewaring werden niet betwist en zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht.

Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat er zicht is op uitzetting, met lopende lp-aanvragen bij de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten en voortvarend handelen, waaronder vertrekgesprekken en rappelleren. De rechtbank vond geen aanleiding voor toepassing van een lichter middel en oordeelde dat de bewaring niet onrechtmatig is.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58056

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 2 december 2025 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 4 december 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 5 december 2025. Op 8 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht het terugkeerbesluit van 4 maart 2025 te uploaden in het digitale dossier. Na ontvangst van dit stuk heeft de rechtbank op 8 december 2025 wederom het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2007 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Ondertekening M110
2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling pas is ondertekend nadat de maatregel van bewaring is opgelegd.
3. Eiser wordt hierin niet gevolgd. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van het gehoor weliswaar drie minuten nadat de maatregel van bewaring aan eiser is opgelegd digitaal is ondertekend, maar is van oordeel dat hierdoor geen sprake is van een gebrek. De verbalisant die het gehoor heeft afgenomen mag namelijk enige tijd worden gegund om de uitwerking van het gehoor in orde te maken. Bovendien wordt door eiser ook niet betwist dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een risico op onttrekking daarmee is gegeven.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
7. Eiser voert aan dat geen zicht op uitzetting bestaat naar Algerije of Marokko. Er is niets bekend met betrekking tot de voortgang van de lp-aanvraag. [4] Eiser verblijft sinds 29
oktober 2025 in bewaring. Hij heeft eerder in Oostenrijk in bewaring verbleven, waardoor
van verweerder meer kan worden verwacht dan het indienen van een lp-aanvraag bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 18 februari 2025. [5] Eiser merkt verder op dat op de door Oostenrijk afgegeven lp staat vermeld dat eiser de Tunesische nationaliteit heeft. Niet is gebleken dat verweerder iets met deze informatie heeft gedaan, wat de voortgang van het onderzoek naar eisers identiteit en nationaliteit niet bevorderd. De alias die op deze lp vermeld staat wordt overigens door eiser betwist.
8. Eiser wordt hierin niet gevolgd. In het algemeen bestaat zowel voor Marokko als Algerije zicht op uitzetting. Verweerder heeft toegelicht dat sinds maart 2025 een lp-aanvraag loopt bij de Marokkaanse autoriteiten en dat op 11 november 2025 ook een lp-aanvraag is verstuurd naar de Algerijnse autoriteiten, gelet op gegevens die verweerder van de Oostenrijkse autoriteiten heeft ontvangen. De Oostenrijkse autoriteiten hebben namelijk laten weten dat eiser in Oostenrijk door de Algerijnse autoriteiten is geïdentificeerd. Er zijn door eiser geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject bij de Marokkaanse en/of Algerijnse autoriteiten op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. Het enkele tijdsverloop is daartoe onvoldoende.
9. Verder werkt verweerder voortvarend aan eisers uitzetting. Daarbij is van belang dat verweerder heeft toegelicht dat hij op 4 november 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd, dat op 11 november 2025 een lp-aanvraag is verstuurd naar de Algerijnse autoriteiten en dat laatstelijk op 27 november 2025 is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Ten aanzien van de Tunesische nationaliteit die op de Oostenrijkse lp is vermeld, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het verweerder niet valt te verwijten dat hij met deze informatie niets doet nu eiser zelf stelt uit Marokko te komen. Verder heeft verweerder erop gewezen dat dit een ‘werk-nationaliteit’ betreft en dat verweerder zijn onderzoeken vooralsnog baseert op de eigen verklaringen van eiser en de informatie die de Oostenrijkse autoriteiten hebben verkregen van de Algerijnse nationaliteiten. Gelet op deze toelichting ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door geen nader onderzoek te doen naar de mogelijke Tunesische nationaliteit van eiser.
10. Voor zover eiser met zijn beroep op de uitspraak van zittingsplaats Zwolle aanvoert dat verweerder gehouden was een verzwaarde belangenafweging te verrichten,
overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat eiser voorafgaand aan de
overdracht aan Nederland in Oostenrijk in vreemdelingenbewaring was gesteld.
Lichter middel
11. Eiser voert verder aan dat toepassing van een lichter middel in de rede ligt. Het kan nog geruime tijd duren voordat een lp wordt afgegeven. Nu de maatregel een ultimum remedium is, dient verweerder andere maatregelen toe te passen als dit mogelijk is.
12. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom geen aanleiding bestond om
een lichter middel toe te passen. Gelet op de gronden van de maatregel bestaat er een risico
dat eiser zich onttrekt aan het toezicht en zijn vertrek belemmert of ontwijkt. Verweerder
heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan
worden toegepast om dit risico te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of
omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel. Dat het enige tijd kan duren voordat een lp wordt afgegeven is daartoe onvoldoende. De rechtbank wijst daarbij erop dat eiser het uitzettingstraject kan bespoedigen door zijn volledige en actieve medewerking te verlenen.
Ambtshalve toets
13. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Aanvraag voor een laissez-passer.