ECLI:NL:RBDHA:2025:23401

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL25.48263 en NL25.48264
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het asielverzoek van eiser met Algerijnse nationaliteit en inreisverbod voor Oostenrijk

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025, wordt het beroep van eiser, een Algerijnse nationaliteit, tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De voorzieningenrechter behandelt tevens het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft de aanvraag afgewezen met het argument dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser heeft een inreisverbod voor Oostenrijk en stelt dat dit hem zou blootstellen aan een boete of gevangenisstraf, wat zou leiden tot onevenredige hardheid bij overdracht aan Oostenrijk.

De rechtbank oordeelt dat het claimakkoord bevestigt dat het asielverzoek van eiser door de Oostenrijkse autoriteiten in behandeling zal worden genomen. De rechtbank is van mening dat verweerder mag aannemen dat de Oostenrijkse autoriteiten op de hoogte zijn van het inreisverbod. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie die stelt dat een inreisverbod geen belemmering vormt voor een Dublinoverdracht. Bovendien is niet aangetoond dat eiser het grondgebied van de EU heeft verlaten, waardoor het inreisverbod nog niet van toepassing is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn argument dat de overdracht aan Oostenrijk leidt tot onevenredige hardheid.

De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, in aanwezigheid van griffier N. Mekenkamp, en is openbaar gemaakt op 11 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.48263 en NL25.48264

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2000 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat hij een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft voor Oostenrijk. Schending van het inreisverbod levert een geldboete op of een gevangenisstraf. Dit vooruitzicht maakt dat de overdracht naar Oostenrijk leidt tot onevenredige hardheid. Overtreding van het inreisverbod zal uiteindelijk ook resulteren in uitzetting naar het land van herkomst. Wegens individuele omstandigheden van cliënt zal uitzetting naar Algerije eveneens tot onevenredige hardheid leiden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Inreisverbod Oostenrijk
5. De rechtbank is van oordeel dat met het claimakkoord vast staat dat het asielverzoek van eiser door de Oostenrijkse autoriteiten in behandeling zal worden genomen. Verweerder mag ervan uitgaan dat de Oostenrijkse autoriteiten ervan op de hoogte waren dat aan eiser een inreisverbod is opgelegd. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2012. [2] Uit deze uitspraak volgt dat een inreisverbod niet aan een Dublinoverdracht in de weg staat. Bovendien is niet gebleken dat eiser het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten, in welk geval het inreisverbod nog niet is ingegaan. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat overdracht aan Oostenrijk vanwege het inreisverbod leidt tot een onevenredige hardheid wegens het vooruitzicht op een boete of een gevangenisstraf.
5.1.
Daarbij komt dat als eiser meent dat Oostenrijk handelt in strijd met Europese richtlijnen, hij hierover een klacht kan indienen bij de Oostenrijkse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Oostenrijkse autoriteiten eiser niet willen helpen of dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.

Conclusie en gevolgen

7.
De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4097.
3.Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.