ECLI:NL:RBDHA:2025:23380

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
SGR 21/8342 en 22/2147
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoeken inzake het plaatsen van een erker en horizontale roeden op de voordeur

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 11 november 2025, zijn twee handhavingsverzoeken van eiseres afgewezen. Eiseres was het niet eens met de afwijzing van deze verzoeken, die betrekking hadden op bouwwerkzaamheden van haar buren. De rechtbank heeft de beroepen op 18 september 2025 behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigden van het college en de vergunninghouders. De rechtbank oordeelde dat de handhavingsverzoeken, ingediend op 24 september 2020 en 7 september 2021, niet konden worden toegewezen. De rechtbank concludeerde dat de wijzigingen aan de erker en de horizontale roeden op de voordeur geen overtredingen vormden, omdat deze wijzigingen als ondergeschikte wijzigingen waren goedgekeurd. Eiseres had betoogd dat de wijzigingen niet vergund waren, maar de rechtbank oordeelde dat de vergunninghouders de wijzigingen tijdig hadden aangevraagd en dat deze goedgekeurd waren door de casemanager. De rechtbank stelde vast dat er geen sprake was van een overtreding en dat het college terecht had afgezien van handhaving. Eiseres had ook verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wat de rechtbank toekende, maar matigde tot € 2.500,-. De rechtbank wees de beroepen ongegrond en veroordeelde de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 21/8342 en 22/2147

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2025 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),
en

het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten

(gemachtigde: mr. C.H. Norde)
en

de Staat der Nederlanden, ministerie van Justitie en Veiligheid (de Staat).

Als derde-partij nemen aan de zaken deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2]uit [woonplaats] , vergunninghouders
(gemachtigde: mr. C. Lubben).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van twee handhavingsverzoeken van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzingen van de handhavingsverzoeken Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.

Procesverloop

2. Vergunninghouders hebben op 6 februari 2020 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een erker en het vervangen van kozijnen aan de voorgevel van hun woning aan de [adres] te [plaats] . Op 27 maart 2020 is de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
SGR 21/8342
3. Op 24 september 2020 heeft eiseres een handhavingsverzoek ingediend in verband met enkele bouwwerkzaamheden op het perceel van haar buren, [adres] te [plaats] .
3.1.
Met het besluit van 3 juni 2021 (primair besluit I) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Met het besluit van 9 november 2021 (bestreden besluit I) op de bezwaren van eiseres is het college bij het primaire besluit gebleven.
3.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
SGR 22/2147
4. Op 7 september 2021 heeft eiseres een handhavingsverzoek ingediend in verband met de op de voordeur aangebrachte horizontale roeden op het perceel van haar buren, [adres] te [plaats] .
4.1.
Met het besluit van 5 oktober 2021 (primair besluit II) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Met het besluit van 17 februari 2022 (bestreden besluit II) op de bezwaren van eiseres is het college bij het primaire besluit gebleven.
4.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit II.
In beide zaken
5. De rechtbank heeft de beroepen op 18 september 2025 op zitting behandeld. De beroepen zijn tegelijk behandeld met de beroepen met zaaknummers 21/8227, 22/5241 en 23/2734. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] . Vergunninghouders en hun gemachtigde zijn verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wabo is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
6.1.
De verzoeken om handhaving zijn ingediend op 24 september 2020 en 7 september 2021. Dat betekent dat in deze gevallen de Wabo van toepassing blijft.
SGR 21/8342
Feiten en omstandigheden
7. De rechtbank stelt voorop dat het geschil in deze zaak enkel ziet op de ramen die, in afwijking van de op 27 maart 2020 verleende omgevingsvergunning, geopend kunnen worden in de erker aan de voorgevel. Het beroep van eiseres ziet niet op de overige onderdelen van haar handhavingsverzoek.
8. Eiseres betoogt dat het college haar handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres voert hiertoe aan dat de revisietekening ten aanzien van de ramen in de erker geen onderdeel is geworden van de verleende omgevingsvergunning en dat reeds daarom sprake is van een overtreding waartegen handhavend opgetreden moet worden. In het aanvullende beroepschrift van 21 augustus 2025 betoogt eiseres verder dat de ramen niet vergunningvrij zijn, omdat artikel 3, achtste lid van bijlage II bij het Bor in dit geval niet van toepassing is vanwege het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, van bijlage II bij het Bor.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de revisietekening weliswaar geen onderdeel uitmaakte van de omgevingsvergunning van 27 maart 2020, maar dat voor het einde van de bezwaartermijn de revisietekeningen op 14 april 2020 zijn ingediend en dat deze daarom onderdeel zijn geworden van de verleende omgevingsvergunning. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat het hier gaat om een wijziging van ondergeschikte aard en dat de ramen bovendien vergunning vrij zijn. Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat het onevenredig is om handhavend op te treden tegen de ramen, omdat het gaat om een overtreding van geringe aard en ernst.
Is sprake van een overtreding?
8.2.
Uit het dossier blijkt dat vergunninghouders bij e-mail van 31 maart 2020 het volgende aan de wabo casemanager hebben bericht:
De vergunning voor de voorgevel is afgegeven maar we komen er achter dat er een kleine wijziging noodzakelijk is in de voorgevel. De zijramen van de erker zijn volledig glas getekend in het 3D tekening maar er moet aan beide zijden een horizontale tussenstijl in komen waaronder een draaiklepraam (wel getekend in details van verleende vergunning) komt voor ventilatie. Ik weet niet of dit invloed heeft op de vergunning maar gezien de situatie met de naaste buren leek het ons verstandig dit te melden.
Heeft u genoeg aan bijgevoegde schets / wijziging of moet het officieel weer worden ingediend?
De wabo casemanager reageert in zijn e-mail van 2 april 2020 als volgt:
De wijziging heeft invloed op de vergunning i.v.m. welstand. Ik heb het inmiddels voorgelegd aan de secretaris van de commissie (….). Hij gaf het volgende aan:
“De bovenlichten in het zijraam zijn oké, maar niet de horizontale roeden in de voordeur. Van dat laatste heeft de welstandscommissie eerder aangegeven in de vergadering dat zij dat niet passend vindt voor deze woningen.”
Van de wijziging moet nog wel een officieel een revisietekening worden ingediend (ook voor jullie eigen rechtszekerheid). Deze kan worden geüpload in het Omgevingsloket online. Graag een kopie sturen per email aan onze bouwinspecteur (….).
Hij voegt daar aan toe:
P.s. E.e.a. onder het bestaande dossier met nummer [nummer] van de reeds verleende vergunning. Er is geen nieuwe aanvraag nodig dus.
8.3.
Vergunninghouders hebben op 14 april 2020 als aanvulling op de aanvraag onder voormeld dossiernummer tekeningen geüpload in het Omgevingsloket.
8.4.
In een e-mail van 15 juli 2021 bericht de inspecteur bouwen aan vergunninghouders het volgende:
Via deze weg wil ik u laten weten dat op 2 april 2020 u van mijn voormalige collega de heer (….) casemanager WABO, de onderstaande mail heeft gekregen. Deze mail inclusief tekenwerk stond niet in het juiste dossier en waren voor mij niet te openen omdat ik hier een foutmelding bij kreeg. U heeft mij, na het versturen van de brief met last onder dwangsom hierop geattendeerd. Met onderstaande mail heeft hij, in samenspraak met de heer (…..), secretaris van de welstandscommissie, de door u ingediende wijzigen op de verleende omgevingsvergunning inzake de bovenlichten en het zijraam van de erker aan de voorgevel, als een wijziging van ondergeschikte aard beoordeeld en in samenspraak met de heer (…..) goedgekeurd onder de afgegeven hoofdvergunning.
Door personeelswisselingen, overdracht, het erg snel moeten beslissen op een uitspraak van de Rechtbank en een systeemfout hebben wij deze goedkeuring op een wijziging van ondergeschikte aard niet op tijd gezien. Daarom is e.a. wel in de last onder dwangsom gekomen. Gezien de eerdere goedkeuring door de casemanager de heer (…..) is dit onterecht, echter heeft dit geen consequenties, daar wij destijds en nu weer tot de conclusie waren gekomen dat de wijziging van ondergeschikte aard was en is. U hoeft geen aangepaste revisietekeningen in te dienen.
8.5.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze mailwisselingen kan worden afgeleid dat vergunninghouders de wijzigingen ten aanzien van de te openen kiepramen vóórdat de omgevingsvergunning van 27 maart 2020 onherroepelijk is geworden hebben aangevraagd en geüpload in het omgevingsloket. Uit de e-mail van 2 april 2020 van de toenmalige wabo casemanager kan verder worden afgeleid dat die wijziging, eveneens voordat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, als ondergeschikte wijziging van de aanvraag namens het college is goedgekeurd. Ook in de e-mail van 15 juli 2021 wordt die goedkeuring bevestigd. Dat de e-mail van 2 april om administratieve redenen niet in het juiste dossier stond en niet op tijd is gezien doet daar niet aan af.
8.6.
De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of de wijziging van ondergeschikte aard is, het antwoord op de vraag of de ruimtelijke uitstraling van het oorspronkelijke bouwplan verandert en daarmee ook de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw, belangrijk is. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet moet per concreet geval beoordeeld worden. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan gesproken kan worden, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. De rechtbank is met het college van oordeel dat de wijziging met betrekking tot de te openen kiepramen van ondergeschikte aard is. De uiterlijke verschijningsvorm van de erker wordt nauwelijks gewijzigd. Ook de ruimtelijke uitstraling verandert niet wezenlijk. De stelling van eiseres dat de geluidsoverlast enorm zal toenemen kan de rechtbank niet volgen. Het betreft immers slechts kiepramen die slechts beperkt te openen zijn. Dat eiseres geluidsoverlast ervaart van de buren, wat daar verder ook van zij, acht de rechtbank in dit kader niet relevant.
8.7.
De rechtbank concludeert dan ook dat de wijziging ten aanzien van de te openen ramen is vergund met de omgevingsvergunning van 27 maart 2020. Er is derhalve geen sprake van een overtreding en het college heeft terecht afgezien van handhaving.
Het betoog slaagt niet. Het beroep tegen bestreden besluit I is ongegrond.
SGR 22/2147
9. Eiseres betoogt dat het college haar handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij voert hiertoe aan dat de op de voordeur aangebrachte horizontale roeden niet met de op 27 maart 2020 verleende omgevingsvergunning zijn vergund, omdat hiervan geen tekening bij de stukken bij deze omgevingsvergunning behoort. Bovendien betoogt eiseres dat het college zich ten onrechte subsidiair op het standpunt stelt dat de roeden in de voordeur vergunningvrij zijn op grond van artikel 3, onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de roeden zijn vergund met de op 27 maart 2020 verleende omgevingsvergunning. Ter zitting heeft het college toegelicht dat uit een tekening met een stempel van de welstandscommissie en een stempel dat die tekening behoort bij de verleende omgevingsvergunning blijkt dat de roeden zijn ingetekend en dus zijn vergund.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat het procesdossier een tekening “impressie voorzijde”, gedateerd 18 maart 2020, bevat waarop de roeden zijn ingetekend. Deze tekening is met de aanvraag om de omgevingsvergunning ingediend. Uit de op 27 maart 2020 verleende omgevingsvergunning blijkt dat de welstandscommissie tijdens de vergadering van 16 maart 2020 onder voorwaarden positief heeft geadviseerd met betrekking tot deze aanvraag en dat het bouwplan op 20 maart 2020 door die commissie akkoord is bevonden. De genoemde tekening is voorzien van een stempel van de welstandscommissie met akkoord, gedateerd 20 maart 2020. Verder is op die tekening de volgende stempel aangebracht “behoort bij besluit van Burgemeester en Wethouders gemeente voorschoten no z/20/040300 d.d. 27-32020”.
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit genoegzaam dat de roeden met de omgevingsvergunning van 27 maart 2020 zijn vergund. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de tekening van 18 maart 2020, waarop die roeden zijn ingetekend, geen onderdeel uitmaakte van de op 27 maart 2020 verleende omgevingsvergunning of dat deze tekening later pas is toegevoegd. Ook de e-mail van de secretaris van de welstandscommissie van 2 april 2020 leidt niet tot een ander oordeel. Daarin wordt weliswaar vermeld dat de welstandscommissie eerder zou hebben aangegeven dat zij de roeden niet passend vindt voor deze woningen, maar dat blijkt niet uit het advies van 16 maart 2020. Bovendien laat dit onverlet dat uit de stempel blijkt dat de tekening behoort bij het besluit van 27 maart 2020 en dat dus ook de roeden vergund zijn. Er is dan ook geen sprake van een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden.
9.4.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een overtreding. Het college heeft ook dit handhavingsverzoek dan ook terecht afgewezen.
9.5.
Het betoog slaagt niet. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond.
Overschrijding van de redelijke termijn
10. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
10.1.
De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste zes maanden en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren gerekend vanaf het moment waarop het rechtsmiddel is ingesteld. [1] Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank verder beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid worden uitgesproken.
10.2.
Het college heeft de bezwaarschriften van eiseres op 13 juli 2021 en 14 november 2021 ontvangen. In de uitspraak van vandaag beslist de rechtbank op de beroepen. Vanaf de ontvangst van de bezwaarschriften is respectievelijk (afgerond naar boven) vier jaar en vier maanden en vier jaar verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met respectievelijk twee jaar en vier maanden en twee jaar is overschreden. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken.
10.3.
Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan dat de termijn wordt overschreden, leidt dit tot een schadevergoeding van € 2.500,- in SGR 21/8342 en € 2.000,- in SGR 22/2147. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank is toe te rekenen, komt de schadevergoeding volledig ten laste van de Staat.
10.4.
De rechtbank ziet echter aanleiding om het recht op een schadevergoeding te matigen tot € 2.500,-, nu sprake is van samenhangende zaken, omdat de zaken gezamenlijk zijn behandeld en beslist en zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. [2]
10.5.
Omdat aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding tot een bedrag van € 2.500,-, wordt de Staat ook veroordeeld in de proceskosten die zien op het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van schade, met een wegingsfactor 0,25 [3] ).

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen tegen bestreden besluit I en bestreden besluit II zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. De rechtbank wijst wel het verzoek om schadevergoeding toe en bepaalt dat de Staat een schadevergoeding van € 2.500,- aan eiseres betaalt vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Bovendien wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten van € 226,75 die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan eiseres tot een bedrag van € 2.500,-;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.