Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:23347

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL25.56206
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen ophouding op grond van artikel 50 lid 2 Vreemdelingenwet 2000

Eiser werd op 11 november 2025 opgehouden door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de ophouding onrechtmatig was omdat zijn identiteit reeds bekend was uit het strafrechtelijk voortraject en hij onnodig vrijheidsberovend was behandeld.

De rechtbank overwoog dat de identiteit die tijdens de strafrechtelijke aanhouding is vastgesteld als uitgangspunt mag worden genomen, maar niet als onomstotelijk vaststaand hoeft te worden beschouwd in het verdere vreemdelingenrechtelijke traject. Omdat eiser tijdens de ophouding geen identiteitsdocument kon tonen, was de ophouding gerechtvaardigd.

Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter T. Boesman en griffier F.S. Ulrich op 1 december 2025 te Rotterdam. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56206

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft daarbij verzocht om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat zijn ophouding onrechtmatig is geweest omdat deze heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit bekend moet zijn geweest nadat hij strafrechtelijk is heengezonden en verweerder de gegevens die bij zijn strafrechtelijke aanhouding zijn vastgesteld als uitgangspunt heeft genomen. Volgens de redenering van de uitspraak die verweerder aanhaalt, te weten de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 augustus 2025, ECLI:RVS:2025:3668, is het ook de bedoeling dat verweerder de persoonsgegevens die blijken uit een strafrechtelijk voortraject als uitgangspunt nemen. De identiteit van eiser stond dus al vanaf het begin vast en een ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw was dan ook een onnodige en onrechtmatige vorm van vrijheidsontneming, zo stelt eiser.
2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. In de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2025 sluit de Afdeling aan bij haar eerdere uitspraak van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134. Daarin is overwogen dat bij de ophouding van een vreemdeling de tijdens de strafrechtelijke aanhouding verkregen identiteitsgegevens als uitgangspunt mogen worden genomen. Dit betekent echter niet dat die identiteit in het verdere verloop van de procedure als onomstotelijk vaststaand moet worden beschouwd. Tijdens de ophouding beschikte eiser niet over enig identiteitsdocument, zodat verweerder de bevoegdheid had om eiser met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw op te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.