Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van eiseressen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op basis van artikel 8 van het EVRM. Eiseressen, de moeder en zus van referent, zijn het niet eens met de afwijzing van hun aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij eiseressen en hun gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister en een tolk. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseressen en referent. De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en draagt deze op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de minister ook het griffierecht en de proceskosten aan eiseressen moet vergoeden. De rechtbank concludeert dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door eiseressen aangedragen feiten en omstandigheden niet maken dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele band overstijgen.