ECLI:NL:RBDHA:2025:23155

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
NL25.24137
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMParagraaf B7/3.2.3 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf gezinslid wegens onvoldoende motivering en schending hoorplicht

Eiseres, een Afghaanse minderjarige, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als gezinslid bij referente, die een verblijfsvergunning asiel bezit. Verweerder wees de aanvraag af wegens onduidelijkheid over identiteit, familierechtelijke relatie, en toestemming van de vader. Eiseres voerde in beroep aan dat zij haar identiteit voldoende aannemelijk had gemaakt en verweerder de hoorplicht had geschonden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de identiteit en de familierechtelijke relatie niet waren aangetoond, mede gelet op de overgelegde documenten en verklaringen. Ook werd vastgesteld dat verweerder ten onrechte had afgezien van een hoorzitting in de bezwaarfase, terwijl dit noodzakelijk was gezien de onduidelijkheden en persoonlijke omstandigheden van eiseres.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde verweerder tot het nemen van een nieuw besluit binnen 10 weken, waarbij de uitspraak tevens verweerder veroordeelde in de proceskosten van eiseres. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige, gemotiveerde besluitvorming en het respecteren van de hoorplicht in vreemdelingenzaken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen 10 weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24137

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente) en de gemachtigde van eiseres. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 2007 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Eiseres stelt de dochter te zijn van referente, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Referente heeft namens eiseres een aanvraag ingediend om bij referente te verblijven.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet heeft voldaan aan een aantal voorwaarden. De identiteit van eiseres kan niet worden vastgesteld en de familierechtelijke relatie is niet aangetoond. Ook is niet duidelijk wie de vader van eiseres is, of hij gezag heeft over eiseres en of hij toestemming geeft voor het vertrek van eiseres naar Nederland. [1] Ten slotte is niet gebleken van familie- en gezinsleven tussen eiseres en referente, waardoor de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met het recht om familie- en gezinsleven uit te oefenen. [2]
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid. Het bestreden besluit is in strijd met het recht van eiseres om haar gezinsleven uit te oefenen, vooral nu er sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in een ander land uit te oefenen. [3] Eiseres heeft alle informatie overgelegd die verweerder heeft gevraagd en het is onmogelijk om haar originele Iraanse verblijfskaart te overleggen. Verweerder heeft ook nagelaten om de Nederlandse ambassade in Teheran onderzoek te laten doen. Ten slotte heeft verweerder de hoorplicht geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiseres in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Heeft eiseres haar identiteit voldoende aannemelijk gemaakt?
6. Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter [4] van 26 januari 2022 [5] en 31 maart 2022 [6] en de uitwerking van deze uitspraken in de Werkinstructie 2025/5 – die analoog van toepassing is op reguliere aanvragen in het kader van gezinshereniging – volgt dat verweerder per individueel geval moet onderzoeken of de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen de referent en/of het gezinslid in grote lijnen als aannemelijk kan worden beschouwd, tenzij een vreemdeling zijn deel van de samenwerkingsplicht overduidelijk niet is nagekomen. Daarbij moet verweerder een integrale beoordeling maken van alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op basis van de overgelegde documenten en afgelegde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van eiseres niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat referente in de huidige procedure een andere geboortedatum van eiseres heeft opgegeven dan in referentes asielprocedure. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat hij de verklaring van eiseres op dit punt weliswaar enigszins kan volgen, maar dat er desondanks sprake ook is van tegenstrijdigheden. Voor zover verweerder daarmee doelt op het door verweerder opgemerkte verschil in het geboortejaar in de vertaling van de kopie van de identiteitskaart van eiseres (1997) en haar paspoort (2007), overweegt de rechtbank dat dit niet overtuigt. De rechtbank stelt vast dat er op de vertaling van de kopie van de identiteitskaart alleen een afwijkend jaartal staat bij de Gregoriaanse kalender. Beide documenten vermelden de geboortedatum 6-12-1385 volgens de Perzische kalender en uit alle overige documenten [7] blijkt dat dit gelijk staat aan het jaar 2007. Nu ook in de vertaling van de kopie van de identiteitskaart dezelfde datum volgens de Perzische kalender staat vermeld, kan het volgens de rechtbank niet anders dan dat het een omrekenfout betreft.
6.2.
Verweerder heeft ook tegengeworpen dat referente in de huidige procedure een andere achternaam van eiseres heeft opgegeven ( [achternaam 1] ) dan in haar asielprocedure ( [achternaam 2] ). Referente heeft hierover tijdens de zitting verklaard dat zij in de asielprocedure de naam heeft opgegeven waaronder haar dochter op dat moment bekend stond. [achternaam 2] was de achternaam van de nicht van wie referente de identiteitskaart had geleend om als illegale Afghaanse vrouw in het ziekenhuis in Iran te kunnen bevallen. Eiseres is destijds niet officieel geregistreerd onder deze naam, omdat zij als Afghaanse werd geboren in Iran. Pas later, toen de biologische vader van eiseres was gevonden, heeft hij eiseres bij de Iraanse autoriteiten laten registreren met zijn achternaam, als [eiseres] . De rechtbank overweegt dat eiseres hiermee een verklaring heeft gegeven voor de afwijkende achternamen. Ook verklaart dit waarom geen geboorteakte kan worden overgelegd. Overwegende dat de achternaam [achternaam 1] evenwel is terug te vinden in meerdere de door eiseres overgelegde documenten, [8] is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres haar identiteit niet aannemelijk zou hebben gemaakt.
Toestemming voor vertrek
7. Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat er onduidelijkheid bestaat over wie de vader is van eiseres, nu eiseres geen geboorteakte heeft overgelegd. Ook heeft verweerder betrokken dat referente in haar asielprocedure andere informatie heeft verstrekt over wie de vader zou zijn en dat referente niet heeft onderbouwd dat de gestelde vader eiseres uit huis heeft geplaatst en het gezag naast zich heeft neergelegd. Referente heeft tijdens de zitting verklaard dat de naam van de vader bij de geboorte van eiseres niet is geregistreerd. Ook heeft referente – zoals onder 6.2 benoemd – tijdens de zitting verklaard dat eiseres pas later, toen haar biologische vader werd gevonden, door hem is geregistreerd bij de Iraanse autoriteiten. Ter zitting heeft referente uitgelegd dat voor deze registratie geen documenten zijn overgelegd, maar dat – zoals gebruikelijk is in Iran – familieleden hebben opgetreden als getuigen. Op basis van deze registratie is de verklaring door de Afghaanse ambassade [9] uitgegeven waaruit blijkt dat [naam] de vader is van eiseres. Gelet op deze uitleg van referente, alle identiteitsdocumenten die onderbouwen dat [naam] de vader is van eiseres en de overgelegde door [naam] ondertekende toestemmingsverklaring, valt niet in te zien welke documenten verweerder nu nog wenst. De rechtbank ziet overigens niet in waarom verweerder in het bestreden besluit naar de vader van eiseres verwijst als Atta Ramazan, nu de naam van de vader in de overgelegde documenten consequent [naam] is.
Familierechtelijke relatie
8. De rechtbank overweegt dat verweerder het ontbreken van een aangetoonde familierechtelijke relatie tussen eiseres en referente niet als zelfstandige afwijzingsgrond heeft gehanteerd. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien aan welke overige voorwaarden eiseres niet voldoet en waarom niet kan worden overgegaan tot het vaststellen van de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referente door middel van een DNA-test. [10] De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.
Hoorplicht
9. De rechtbank is met eiseres eens dat verweerder in dit geval niet heeft kunnen afzien van een hoorzitting in de bezwaarfase. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld is het uitgangspunt dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord. De hoogste bestuursrechter heeft daarbij overwogen dat er gevallen zijn waarin het minder vanzelfsprekend is dat van een hoorzitting in bezwaar kan worden afgezien. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de situatie waarin een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of de situatie waarin er nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan. [11] Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [12]
9.1.
Hoewel de rechtbank verweerder tot op zekere hoogte kan volgen dat eiseres meerdere keren in de gelegenheid is gesteld om haar bezwaar te onderbouwen, vindt de rechtbank toch dat verweerder in deze specifieke zaak een hoorzitting niet achterwege heeft kunnen laten. Gelet op de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres veel documenten heeft overgelegd en dat zij expliciet heeft verzocht om een hoorzitting. Ook van belang is dat eiseres verklaringen heeft afgelegd voor de door verweerder gestelde tegenstrijdigheden en ontbrekende documenten. Verder heeft verweerder in dit kader onvoldoende acht geslagen op de persoonlijke en bijzondere omstandigheden van eiseres. Zo had verweerder kunnen onderzoeken welke documenten eiseres nog zou moeten en/of kunnen overleggen, nu uit whatsapp gesprekken blijkt dat zij niet meer bij haar vader woont en dat referente tijdens de zitting heeft aangegeven dat en waarom er niet meer documenten zijn en dat zij verder in bewijsnood verkeert. Een hoorzitting had meer inzicht kunnen geven in deze persoonlijke omstandigheden van eiseres.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Het beroep is dan ook gegrond. Gelet op de duur van het proces en dat in gesprekken te lezen is dat het niet goed gaat met eiseres, draagt de rechtbank verweerder op om binnen een termijn van 10 weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet binnen een termijn van 10 weken een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
12. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-. [13]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen een termijn van 10 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Paragraaf B7/3.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
5.Uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245.
6.Uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:969.
7.Zie bijvoorbeeld de kopie van het Afghaanse paspoort van eiseres en de kopie van de verklaring van de Afghaanse ambassade in Mashhad van 24 april 2024.
8.De kopie van het Afghaanse paspoort van eiseres, de kopie van de Afghaanse identiteitskaart van eiseres, en de kopie van de verklaring van de Afghaanse ambassade in Mashhad van 24 april 2024.
9.De verklaring van de Afghaanse ambassade in Mashhad van 24 april 2024.
10.Zie de uitspraken van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245, en van 31 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:969.
11.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
12.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
13.1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1.