Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij haar echtgenoot. Verweerder wees de aanvraag af omdat de referent niet voldeed aan het middelenvereiste. De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit het normbedrag van 2025 heeft toegepast terwijl het normbedrag van 2024 had moeten gelden, het jaar van de aanvraag.
Daarnaast heeft verweerder geen rekening gehouden met het vakantiegeld van 8% en de persoonlijke situatie van eiseres, waaronder haar leefsituatie bij de neef van de referent. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en vernietigt het besluit. Verweerder wordt opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Verweerder is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.814,- en het griffierecht van €194,-. Het beroep is gegrond verklaard, en de rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.