ECLI:NL:RBDHA:2025:23154

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
NL25.19006
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 november 2025 uitspraak gedaan in het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij haar echtgenoot. De aanvraag was door de minister van Asiel en Migratie afgewezen met een besluit van 9 oktober 2024, en het bezwaar daartegen werd bij een bestreden besluit van 16 april 2025 gehandhaafd. De rechtbank constateerde dat verweerder in het bestreden besluit het verkeerde normbedrag had gehanteerd en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was. Eiseres voerde aan dat het normbedrag van 2024 had moeten worden toegepast in plaats van dat van 2025, en dat er rekening gehouden moest worden met vakantiegeld. De rechtbank oordeelde dat verweerder de persoonlijke situatie van eiseres en haar echtgenoot niet had betrokken in het besluit. Hierdoor was het beroep gegrond, en de rechtbank vernietigde het bestreden besluit. Verweerder werd opgedragen om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, en werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-, evenals de vergoeding van het griffierecht van € 194,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19006
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar echtgenoot, [referent] (referent).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft verweerder verzocht om voorafgaand aan de zitting te reageren op concrete vragen. Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijn een reactie ingediend. De rechtbank heeft daarna telefonisch contact opgenomen met verweerder. Verweerder heeft telefonisch toegezegd een reactie in te dienen. De rechtbank heeft daarna geen reactie ontvangen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent, en getuige [getuige] die tijdens zitting ook als tolk heeft opgetreden. Verweerder is – met voorafgaand bericht – niet verschenen.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Overwegingen

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat referent niet voldoet aan het middelenvereiste.
4. Eiseres voert onder meer aan dat verweerder het normbedrag van 2024 had moeten toepassen en dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte het normbedrag van 2025 heeft toegepast. Ook wijst eiseres op het feit dat rekening gehouden moet worden met 8% vakantiegeld, nu het bruto maandsalaris van referent exclusief dit vakantiegeld is. Subsidiair stelt eiseres dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden omtrent haar leefsituatie bij de neef van referent, die eiseres heeft onderbouwd met de overgelegde stukken in beroep en de verklaring van de neef ter zitting. [1]
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit het verkeerde normbedrag heeft gehanteerd. Uit vaste jurisprudentie volgt namelijk dat verweerder het normbedrag moet hanteren van het jaar waarin de aanvraag is gedaan. [2] Verweerder had het salaris van referent per vier weken exclusief vakantiegeld moeten omrekenen en vergelijken met de norm voor maandsalaris exclusief vakantiegeld van 2024. Bovendien overweegt de rechtbank dat verweerder de persoonlijke situatie, specifiek met betrekking tot de vaste lasten, van eiseres en referent niet in het bestreden besluit heeft betrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. [3]
6. Uit het voorgaande volgt al dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven over de overige beroepsgronden.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals eiseres ter zitting heeft verzocht – zelf in de zaak te voorzien.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet binnen vier weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op €1.814,-. [4]
10. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen vier weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-;
  • bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025 door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2010 (Chakroun), ECLI:EU:C:2010:117.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA9883.
3.In strijd met artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.
4.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.