In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 november 2025 uitspraak gedaan in het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij haar echtgenoot. De aanvraag was door de minister van Asiel en Migratie afgewezen met een besluit van 9 oktober 2024, en het bezwaar daartegen werd bij een bestreden besluit van 16 april 2025 gehandhaafd. De rechtbank constateerde dat verweerder in het bestreden besluit het verkeerde normbedrag had gehanteerd en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was. Eiseres voerde aan dat het normbedrag van 2024 had moeten worden toegepast in plaats van dat van 2025, en dat er rekening gehouden moest worden met vakantiegeld. De rechtbank oordeelde dat verweerder de persoonlijke situatie van eiseres en haar echtgenoot niet had betrokken in het besluit. Hierdoor was het beroep gegrond, en de rechtbank vernietigde het bestreden besluit. Verweerder werd opgedragen om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, en werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-, evenals de vergoeding van het griffierecht van € 194,-.