Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
4 [bedrijf 2] B.V., te [vestigingsplaats 3] ,
1.De procedure
- het verzoekschrift van [verzoekster] van 1 april 2025, met de producties 1-13;
- het verweerschrift van HVV c.s. van 2 juni 2025, met de producties 1-2;
- productie 14 van [verzoekster] ;
- spreekaantekeningen van [verzoekster] voor de mondelinge behandeling van 12 juni 2025;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2025;
- de aanvulling van het verzoek van [verzoekster] van 10 juli 2025, met productie 15;
- de verklaring ex artikel 1019i Rv van HVV c.s. van 29 augustus 2025;
- het verweerschrift van [bedrijf 2] van 31 augustus 2025, met productie 1-2;
- de verklaring ex artikel 1019i Rv van [bedrijf 2] van 29 augustus 2025;
- het aanvullend verweerschrift van HVV c.s. van 28 augustus 2025.
- namens [verzoekster] : de heer [naam 2] , directeur, bijgestaan door mr. Overdijk en mr. I.N.A. Denninger;
- namens HVV, [bedrijf 1] en in persoon: [naam 1] , bijgestaan door mr. Van den Heuvel en mr. M. van der Ven;
- namens [bedrijf 2] : de heer [naam 3] , directeur, bijgestaan door mr. Mazel.
2.De feiten
om geen plant- en/of teeltmateriaal van het ras lelieras “Zambesi” OT 4020-232 ook niet onder een andere naam - te vermeerderen, in het verkeer te brengen, (verder) te verhandelen of anderszins ter beschikking aan te bieden of te stellen aan derden, of deze handelingen te laten verrichten”.
3.Het geschil
4.De beoordeling
De eis in de hoofdzaak is tijdig ingesteld
De eis in de hoofdzaak zal bij het bewijsbeslag vaak bestaan in een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting, in het bijzonder een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 204 (nieuw).(…) De eis in de hoofdzaak is niet beperkt tot een verzoek om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen. Ook een vordering tot schadevergoeding is denkbaar. (…) Als in het verzoekschrift niet wordt verwezen naar een al aanhangige procedure over de rechtsbetrekking waarover het geschil gaat (zie het tweede lid, onder e), bepaalt de rechter in de verlofbeschikking de termijn waarbinnen de verzoeker de eis in de hoofdzaak moet instellen. Voor het bepalen van de termijn kan de voorzieningenrechter aansluiten bij de in artikel 700, derde lid, genoemde termijn die op verzoek van de beslaglegger voorafgaand aan het verstrijken van die termijn zo nodig kan worden verlengd. In het voorgestelde artikel 205, vierde lid, wordt nadrukkelijk bevestigd dat overschrijding van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak het beslag doet vervallen.”