ECLI:NL:RBDHA:2025:23153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
C/09/682973 / HA RK 25-167
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 700 lid 3 RvArt. 1019i RvArt. 1019a lid 1 RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking inzake inzageverzoek na bewijsbeslag in kwekersrechtzaak over lelieras Zambesi

In deze civiele procedure heeft [verzoekster] B.V. een verzoek ingediend tot inzage en afschrift van bescheiden die relevant zijn voor een geschil over inbreuk op haar kwekersrecht voor het lelieras Zambesi en tekortkomingen van HVV c.s. en [bedrijf 2] onder licentieovereenkomsten en afstandsverklaringen.

De feiten betreffen dat HVV in 2022 bollen van het ras Zambesi heeft verhandeld terwijl zij geen licentiehouder meer was, en dat [bedrijf 2] een kwart licentie had verkregen. HVV en [bedrijf 2] verstrekten onvolledige informatie over de herkomst van de bollen, wat aanleiding gaf tot het bewijsbeslag en het inzageverzoek.

De rechtbank oordeelt dat het inzageverzoek tijdig is ingesteld binnen de wettelijke termijnen en dat aan de voorwaarden van art. 194 Rv Pro is voldaan. Er is voldoende aannemelijkheid dat inbreuk op het kwekersrecht heeft plaatsgevonden door HVV en [bedrijf 2].

De rechtbank beperkt het verzoek tot inzage tot de periode 2022 en de 750.000 bollen die in dat jaar zijn verhandeld, en geeft [verzoekster] de gelegenheid haar verzoek aan te passen en gerekwestreerden daarop te laten reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Het inzageverzoek wordt beperkt toegewezen met gelegenheid tot aanpassing en reactie van partijen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/ 682973 / HA RK 25-167
Beschikking van 1 december 2025
in de zaak van
[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat mr. T.F.W. Overdijk, te Amsterdam,
tegen:
HVV-LELIE B.V.,te Alphen aan den Rijn,
[bedrijf 1] B.V., te [vestigingsplaats 2] ,
[naam 1], te [woonplaats] ,
verweerders,
advocaat mr. C.N. van den Heuvel, te Rotterdam,
en

4 [bedrijf 2] B.V., te [vestigingsplaats 3] ,

verweerster,
advocaat mr. P.E. Mazel, te Amsterdam.
Partijen worden hierna afzonderlijk [verzoekster] , HVV, [bedrijf 1] , [naam 1] en [bedrijf 2] genoemd. HVV, [bedrijf 1] en [naam 1] worden hierna gezamenlijk HVV c.s. genoemd. HVV c.s. en [bedrijf 2] worden hierna gezamenlijk gerekwestreerden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van [verzoekster] van 1 april 2025, met de producties 1-13;
  • het verweerschrift van HVV c.s. van 2 juni 2025, met de producties 1-2;
  • productie 14 van [verzoekster] ;
  • spreekaantekeningen van [verzoekster] voor de mondelinge behandeling van 12 juni 2025;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2025;
  • de aanvulling van het verzoek van [verzoekster] van 10 juli 2025, met productie 15;
  • de verklaring ex artikel 1019i Rv van HVV c.s. van 29 augustus 2025;
  • het verweerschrift van [bedrijf 2] van 31 augustus 2025, met productie 1-2;
  • de verklaring ex artikel 1019i Rv van [bedrijf 2] van 29 augustus 2025;
  • het aanvullend verweerschrift van HVV c.s. van 28 augustus 2025.
1.2.
Op 20 oktober 2025 heeft de tweede mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Bij deze mondelinge behandeling waren aanwezig:
  • namens [verzoekster] : de heer [naam 2] , directeur, bijgestaan door mr. Overdijk en mr. I.N.A. Denninger;
  • namens HVV, [bedrijf 1] en in persoon: [naam 1] , bijgestaan door mr. Van den Heuvel en mr. M. van der Ven;
  • namens [bedrijf 2] : de heer [naam 3] , directeur, bijgestaan door mr. Mazel.
Tijdens de zitting zijn namens [verzoekster] en HVV c.s. pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is een datum bepaald voor de beschikking.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[verzoekster] is houdster van een portefeuille communautaire en Nederlandse kwekersrechten voor lelierassen, waaronder het communautair kwekersrecht voor het lelieras ‘Zambesi’, onder nummer 36012.
2.2.
[naam 1] is bestuurder van HVV en [bedrijf 1] .
2.3.
HVV heeft geruime tijd bollen van verschillende lelierassen van [verzoekster] vermeerderd en geteeld. Voor het ras Zambesi had HVV op grond van een met [verzoekster] gesloten licentieovereenkomst een licentie om dit ras te telen.
2.4.
HVV heeft deze licentie in drie gedeelten overgedragen aan de volgende derden:
- in 2020 de helft van de licentie aan [naam 4] te [plaats 1] ;
- in 2021 een kwart aan [bedrijf 3] B.V. te [plaats 2] ;
- in 2022 het laatste kwart aan [bedrijf 2] .
2.5.
Op 28 april 2022 hebben HVV en [verzoekster] een zogenoemde “Verklaring van overdracht / Afstandsverklaring” (hierna: afstandsverklaring) getekend, waarin onder meer is opgenomen dat de deeloverdrachten van de licentie hebben plaatsgevonden met ingang van het desbetreffende teeltjaar.
2.6.
In de afstandsverklaring heeft HVV zich onder meer ertoe ertoe verplicht “
om geen plant- en/of teeltmateriaal van het ras lelieras “Zambesi” OT 4020-232 ook niet onder een andere naam - te vermeerderen, in het verkeer te brengen, (verder) te verhandelen of anderszins ter beschikking aan te bieden of te stellen aan derden, of deze handelingen te laten verrichten”.
2.7.
Op 3 mei 2022 heeft [bedrijf 2] met HVV een licentieovereenkomst voor het ras Zambesi gesloten.
2.8.
Begin 2023 heeft [verzoekster] aan HVV een verklaring gevraagd over Zambezibollen die HVV in 2022 aan derden heeft verkocht. Hierop heeft [naam 1] namens HVV als volgt gereageerd in zijn e-mail van 8 februari 2023:
“HVV-Lelie BV heeft in 2022 het laatste teeltrecht verkocht aan [bedrijf 2] in [plaats 3] , zoals u ook in uw bericht schrijft. Omdat [bedrijf 2] land van [bedrijf 1] B.V. pacht - de B.V. waar ik directeur van ben - heb ik nog steeds goed contact met [bedrijf 2] en weet ik waar zij Zambesi hebben geteeld. [bedrijf 2] zal aan [verzoekster] ook royalty’s hebben betaald. Omdat ik nog een paar leveringsverplichtingen had, had ik bij de verkoop bedongen dat ik bollen van [bedrijf 2] zou kunnen kopen, om ze vervolgens door te verkopen aan de partijen aan wie ik een leveringsverplichting had. [bedrijf 2] zal aan u kunnen bevestigen dat HVV-Lelie BV geen bollen heeft geteeld.”
2.9.
Bij beschikking van 12 december 2024 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van [verzoekster] verlof verleend om bewijsbeslag te leggen ten laste van HVV c.s. en [bedrijf 2] .
2.10.
Op 27 februari 2025 heeft [verzoekster] wederom verzocht bewijsbeslag te mogen leggen ten laste van HVV c.s. en [bedrijf 2] . Dit verzoek is bij beschikking van 28 februari 2025 toegewezen.
2.11.
In beide beschikkingen is de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in art. 700 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaald op vier weken na het eerst gelegde beslag en de termijn als bedoeld in art. 1019i Rv bepaald op zes maanden na datum beschikking.
2.12.
Op 5 maart 2025 heeft [verzoekster] op grond van de beschikkingen van 12 december 2024 en 27 februari 2025 ten laste van HVV c.s. en [bedrijf 2] bewijsbeslag laten leggen.

3.Het geschil

3.1.
[verzoekster] verzoekt dat de rechtbank bij beschikking:
I HVV c.s. en [bedrijf 2] op de voet van art. 194 Rv Pro beveelt aan [verzoekster] , dan wel aan een onafhankelijk vertegenwoordiger van [verzoekster] , inzage en afschrift te verstrekken van de in beslag genomen bescheiden, die relevant zijn, of kunnen zijn, in verband met de in dit verzoek bedoelde inbreuken op het kwekersrecht van [verzoekster] en/of de in het verzoek bedoelde tekortkomingen van HVV c.s. en [bedrijf 2] , waaronder mede verstaan de op gegevensdragers aangebrachte gegevens, alle gevoerde technische en (digitale) financiële administratie (inclusief de hieraan gerelateerde documenten zoals:
• correspondentie in papieren vorm, alsmede elektronische berichten;
• (digitale) e-mail(s)(gegevens) of andere correspondentie, waaronder begrepen maar niet beperkt tot welke zien op activiteiten met bollen van het ras ‘Zambesi’;
• (digitale) documenten met betrekking tot dezelfde onderwerpen als de hiervoor bedoelde e-mailgegevens en correspondentie;
• (digitale) e-mail(s)(gegevens) of correspondentie en (digitale) documenten met betrekking tot de activiteiten met bollen van het ras ‘Zambesi’ die HVV c.s. en [bedrijf 2] hebben verricht voor andere gerekwestreerden en voor andere vennootschappen;
• (digitale) boekhoudgegevens over de inkomsten van inbreukmakende activiteiten;
• (digitale) bankafschriften waaruit de inkomsten en uitgaven van HVV c.s. en [bedrijf 2] in verband met hun activiteiten met bollen van het ras ‘Zambesi’ blijken of kunnen blijken;
II voor zover de onder I vermelde bescheiden van HVV c.s. en [bedrijf 2] , zoals bankafschriften, slechts elders (extern) digitaal toegankelijk zijn, HVV c.s. en [bedrijf 2] beveelt alle benodigde medewerking te verlenen ten behoeve van het verkrijgen van (digitale) toegang tot dergelijke extern beschikbare bescheiden, door het verstrekken van benodigde inloggegevens of andere gegevens, zodat ter plaatse een uitdraai van dergelijke bescheiden kan worden gemaakt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 25.000 voor elke overtreding van dit bevel;
III de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaart op alle dagen en uren.
3.2.
Aan haar verzoek legt [verzoekster] - samengevat - het volgende ten grondslag. HVV en [bedrijf 2] hebben onvoldoende opheldering gegeven over de herkomst van de Zambesi-bollen die HVV in 2022 heeft verhandeld. Het heeft er alle schijn van dat de bollen afkomstig zijn van eigen illegale (zonder licentie) teelt (waaronder begrepen contractteelt) door HVV en/of [bedrijf 2] . Hiermee hebben HVV en [bedrijf 2] een ernstige inbreuk gemaakt op het kwekersrecht van [verzoekster] en is HVV tekortgeschoten in de nakoming van de afstandsverklaring. Omdat [bedrijf 2] heeft geweigerd informatie te verstrekken over het plantgoed dat zij bij de overdracht van de kwart licentie van HVV heeft overgenomen moet er rekening mee worden gehouden dat [bedrijf 2] , als houder van een kwart licentie, een mogelijk grote hoeveelheid bollen van het ras Zambesi heeft vermeerderd waarover zij als licentienemer geen opgave heeft gedaan. Dit is een ernstige tekortkoming van [bedrijf 2] onder de licentieovereenkomst. Daarom heeft [verzoekster] voldoende belang bij inzage en afschrift van de beslagen gegevens over:
de periode waarover HVV en [bedrijf 2] materiaal (componenten en/of oogstmateriaal) van het ras ‘Zambesi’ hebben vermeerderd, verkocht en/of geleverd;
de exacte hoeveelheden bollen (componenten (plantgoed) en/of oogstmateriaal) van het ras ‘Zambesi’ die HVV en [bedrijf 2] in de periode vanaf 2019 hebben vermeerderd, hebben aangeboden, ingekocht, verkocht, geleverd, ingevoerd, uitgevoerd en in voorraad hebben en hebben gehad, inclusief de bijbehorende de aan- en verkoopprijzen, e.e.a. vergezeld van duidelijke kopieën van de op die handelingen betrekking hebbende facturen en andere bewijsmaterialen;
de namen en adressen van alle bij HVV en [bedrijf 2] bekende ontvangers, leveranciers, c.q. telers van bollen van het ras ‘Zambesi’ die vanaf 2019 door HVV en [bedrijf 2] zijn verhandeld;
e door HVV gerealiseerde omzet en winst als resultaat van de verhandeling van (plant)materiaal van het ras ‘Zambesi’.
3.3.
Gerekwestreerden voeren verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De eis in de hoofdzaak is tijdig ingesteld

4.1.
Allereerst is aan de orde het verweer van gerekwestreerden dat het bewijsbeslag is vervallen, omdat [verzoekster] niet tijdig - binnen vier weken na het eerste gelegde beslag c.q. zes maanden na datum beschikking - een eis in de hoofdzaak heeft ingesteld. Het inzageverzoek is volgens gerekwestreerden niet aan te merken als een eis in de hoofdzaak. Dit verweer gaat niet op, gelet op het volgende.
4.2.
Per 1 januari 2025 is met de “Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht” (hierna: de wet) de inzageregeling van art. 194 Rv Pro e.v., ingevoerd. Voordien werd de inzage in art. 43a Rv geregeld. Het verzoekschrift van [verzoekster] is gebaseerd op art. 194 Rv Pro, omdat dit artikel temporeel van toepassing is op het verzoek.
4.3.
Uit de volgende passages uit de Memorie van Toelichting bij de wet maakt de rechtbank op dat dat een inzageverzoek na bewijsbeslag als eis in de hoofdzaak kan worden aangemerkt [1] (onderstreping door rechtbank):
“Het vierde lid van artikel 205 (nieuw) bevat - naast het vereiste van voorafgaand rechterlijk verlof - een andere belangrijke voorwaarde voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag. Die voorwaarde houdt in dat het bewijsbeslag moet plaatsvinden binnen het kader van een lopende procedure of, als nog geen procedure is gestart, moet worden gevolgd door een eis in de hoofdzaak.
De eis in de hoofdzaak zal bij het bewijsbeslag vaak bestaan in een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting, in het bijzonder een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 204 (nieuw).(…) De eis in de hoofdzaak is niet beperkt tot een verzoek om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen. Ook een vordering tot schadevergoeding is denkbaar. (…) Als in het verzoekschrift niet wordt verwezen naar een al aanhangige procedure over de rechtsbetrekking waarover het geschil gaat (zie het tweede lid, onder e), bepaalt de rechter in de verlofbeschikking de termijn waarbinnen de verzoeker de eis in de hoofdzaak moet instellen. Voor het bepalen van de termijn kan de voorzieningenrechter aansluiten bij de in artikel 700, derde lid, genoemde termijn die op verzoek van de beslaglegger voorafgaand aan het verstrijken van die termijn zo nodig kan worden verlengd. In het voorgestelde artikel 205, vierde lid, wordt nadrukkelijk bevestigd dat overschrijding van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak het beslag doet vervallen.”
4.4.
Onder het voor 1 januari 2025 geldende recht werd eveneens ervan uitgegaan dat een inzagevordering ex art. 843a Rv als een eis in de hoofdzaak kon worden aangemerkt. [2]
4.5.
Het voorgaande betekent dat [verzoekster] met het inzageverzoek tijdig - binnen zes maanden na 27 februari 2025 - een eis in de hoofdzaak heeft ingesteld.
Het inzageverzoek
4.6.
Art. 194 Rv Pro biedt een zelfstandige grondslag voor recht op inzage van gegevens.
Voor het recht op inzage (daaronder valt ook het recht op afschrift of uittreksel) moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.
4.7.
De rechtsbetrekkingen die [verzoekster] aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd zijn i) inbreuk op het kwekersrecht en ii) tekortkoming in de nakoming van de (met [bedrijf 2] gesloten) licentieovereenkomst en de (met HVV overeengekomen) afstandsverklaring.
4.8.
Art. 1019a lid 1 Rv bepaalt dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 194 Rv Pro. Bij betwisting van die inbreuk, en dus van het bestaan van een rechtsbetrekking, zal degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, zodanige feiten en omstandigheden moeten stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. [3] Wat als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij worden hogere eisen gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal. Niet behoeft echter te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing van een vordering in kort geding. Uit de stellingen en (zo mogelijk met bewijsmateriaal gestaafde) feiten en omstandigheden moet een redelijk vermoeden van (dreigende) inbreuk kunnen worden afgeleid. [4]
4.9.
Deze maatstaf is naar het oordeel van de rechtbank van overeenkomstige toepassing op de door [verzoekster] gestelde tekortkomingen onder de licentieovereenkomst en de afstandsverklaring, omdat deze contracten strekken tot handhaving van het kwekersrecht.
4.10.
De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de vraag of sprake is van rechtsbetrekkingen tussen [verzoekster] enerzijds en HVV en [bedrijf 2] anderzijds in de zin van art. 194 Rv Pro (al dan niet in verbinding met art. 1019a lid 1 Rv). De vraag die de rechtbank daarvoor moet beantwoorden is of [verzoekster] gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden heeft gesteld en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal heeft onderbouwd, dat voldoende aannemelijk is geworden dat de inbreuk op het kwekersrecht zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen.
4.11.
Dat er sprake is van inbreuk op haar kwekersrecht heeft [verzoekster] , samengevat, als volgt toegelicht. In de loop van 2022 heeft [verzoekster] informatie ontvangen waaruit blijkt dat HVV in het oogstjaar 2022 ook zelf nog bollen van het ras Zambesi heeft verkocht en geleverd, ondanks dat zij met ingang van dat oogstjaar geen licentiehouder meer was en een afstandsverklaring had getekend. [naam 1] heeft in zijn onder 2.8 bedoelde verklaring erkend dat HVV Zambesibollen, geteeld door [bedrijf 2] , heeft verhandeld, maar hij heeft daarbij aangegeven dat het ging om tussenhandel en dat de bollen niet afkomstig waren van eigen teelt door HVV. Echter ook voor het verhandelen als tussenhandelaar moet vaststaan dat de bollen zijn verkregen van een licentienemer die toestemming had voor de verhandeling van bollen. HVV en [bedrijf 2] hebben ondoorzichtige en onvolledige informatie verstrekt over de herkomst van deze bollen, gelet op het volgende:
a. a) op de door HVV overgelegde koopovereenkomsten staat dat het “eigen partij(en)” zijn, wat conform brancheregels en -gebruiken betekent: afkomstig van eigen teelt;
b) de koopovereenkomsten zijn gesloten nadat de afstandsverklaring is gesloten; dat valt niet te rijmen met de stelling van [naam 1] dat de transacties betrekking hebben op leveringsverplichtingen die reeds bestonden op het moment dat HVV de kwart licentie overdroeg aan [bedrijf 2] ;
c) uit de koopovereenkomsten volgt dat in totaal verhandelde 750.000 bollen afkomstig zijn van een areaal van in totaal 5.400 RR (Rijnlandse Roeden), echter noch HVV, noch [bedrijf 2] beschikte over zo’n groot areaal;
d) de verklaring van [naam 1] strookt evenmin met de van [bedrijf 2] ontvangen areaalopgave over 2022, waarin een op contractteelt opgenomen vermelding is opgenomen dat er op een veld aan de Noordkamp te Hijken, 392 RR 2e jaarsbollen werden geteeld;
e) HVV heeft in 2021 aan de bemiddelingsorganisatie een areaal Zambesi van 2.874 RR opgegeven. Op basis van gemiddelde kengetallen en vermenigvuldigingsfactoren zou verwacht mogen worden dat [bedrijf 2] in 2022 1.422 RR aan bollen zou hebben staan. [bedrijf 2] heeft echter slechts 899 RR aan de bemiddelingsorganisatie opgegeven. Hieruit volgt dat er in 2022 500 RR van de radar is verdwenen;
f) [bedrijf 2] heeft geweigerd informatie te verstrekken over het plantgoed waarover zij bij de overgang van de licentie de beschikking heeft gekregen. Daarom moet er rekening mee worden gehouden dat [bedrijf 2] mogelijk een grote hoeveelheid bollen van het ras heeft vermeerderd waarover zij geen opgave heeft gedaan.
4.12.
Niet weersproken is, dat het kwekersrecht van [verzoekster] meebrengt dat HVV als tussenhandelaar alleen bollen mag verhandelen als deze bollen zijn verkregen van een licentiehouder die toestemming heeft voor de verhandeling van bollen. Dit betekent dat HVV, die vanaf het seizoen 2022 geen licentiehouder meer was, desgevraagd aan [verzoekster] moet kunnen verantwoorden dat de door HVV in 2022 verhandelde bollen afkomstig zijn van een licentiehouder. Volgens HVV en [bedrijf 2] zijn de in 2022 verhandelde bollen afkomstig van laatstgenoemde als licentiehouder. Zij hebben hiertoe onder meer gewezen op de door [verzoekster] (productie EP7) en HVV (productie GP01) overgelegde koopovereenkomsten. Echter, zoals [verzoekster] onweersproken heeft aangevoerd, had [bedrijf 2] in 2022 voor de verhandelde 750.000 bollen niet voldoende licentieareaal. Voor zover HVV heeft aangevoerd dat de verhandelde bollen betrekking hadden op leveringsverplichtingen van HVV uit de periode dat zij nog licentiehouder was, heeft zij dat onvoldoende gemotiveerd, nu de op de koopovereen-komsten vermelde data liggen na de datum waarop HVV het laatste kwart van haar licentie heeft overgedragen. HVV heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Dat had wel van haar mogen worden verwacht. Uit de hiervoor besproken omstandigheden b) en c) als bedoeld onder 4.1 in onderlinge samenhang beschouwd, volgt reeds dat voldoende aannemelijk is dat ten aanzien van de 750.000 in 2022 verhandelde bollen sprake is van inbreuk op het kwekersrecht van [verzoekster] door HVV en [bedrijf 2] . Omstandigheid a) kan dus onbesproken blijven.
4.13.
Met betrekking tot omstandigheden d) en e) als bedoeld onder 4.11 wordt het volgende overwogen. Ook na de aanvullende toelichting van [verzoekster] blijft het de rechtbank onduidelijk hoe [verzoekster] tot de conclusie is gekomen dat bij [bedrijf 2] 500 RR aan bollen in 2022 van de radar zijn verdwenen. [verzoekster] zegt bij haar berekening rekening te hebben gehouden gemiddelde kengetallen en vermenigvuldigingsfactoren maar heeft dat, ook in het licht van de gemotiveerde betwisting door HVV en [bedrijf 2] , onvoldoende concreet toegelicht en feitelijk onderbouwd.
4.14.
Met betrekking tot het plantgoed (omstandigheid f) wordt het volgende overwogen. Niet in geschil is dat [bedrijf 2] bij de overdracht aan haar van de kwart licentie door HVV plantgoed dat [bedrijf 2] reeds onder zich had, heeft overgenomen. Die hoeveelheid is in het tussen HVV en [bedrijf 2] gesloten contract (productie GP01) niet vermeld. [bedrijf 2] heeft verklaard niet te weten hoeveel plantgoed dat was. Volgens HVV was er over de teelt van het plantgoed al opgave gedaan en waren er al royalty’s over betaald. [verzoekster] heeft dat vervolgens niet weersproken. Hiermee resteert de vraag of [bedrijf 2] het plantgoed (in het buitenland) heeft vermeerderd. [bedrijf 2] heeft dat weersproken. [verzoekster] heeft haar stelling op dit punt onvoldoende aannemelijk gemaakt.
4.15.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de door [verzoekster] gestelde inbreuk op het kwekersrecht en daarmee de tekortkoming onder de met [bedrijf 2] gesloten licentieovereenkomst en de met HVV gesloten afstandsverklaring aannemelijk is geworden ten aanzien van de door HVV in 2022 verhandelde bollen. In zoverre bestaat er een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 194 jo Pro. art. 1019a Rv tussen [verzoekster] enerzijds en HVV en [bedrijf 2] anderzijds.
4.16.
In het verzoekschrift is [verzoekster] uitgegaan van een veel bredere zoekslag dan zal worden toegewezen. Gezien de beperking tot het jaar 2022 en de 750.000 bollen die HVV in dat jaar heeft verhandeld, ziet de rechtbank aanleiding om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen haar verzoek aan te passen, in die zin dat [verzoekster] nader dient aan te geven van welke bescheiden nog afschrift wordt verzocht. [verzoekster] dient hierbij toe te lichten welke gegevens met betrekking tot die 750.000 bollen voor haar relevant zijn en van welke partij(en) zij deze gegevens wenst te verkrijgen. De ruime strekking van art. 194 Rv Pro impliceert dat gegevens over een rechtsbetrekking niet alleen bij de wederpartij kunnen worden opgevraagd, maar ook rechtstreeks bij een derde die zelf geen partij is bij de rechtsbetrekking waarover het onderliggende geschil gaat en die over deze gegevens beschikt. [5] Aan [verzoekster] wordt uitdrukkelijk niet de gelegenheid geboden om in dit schriftelijke stuk in te gaan op enig ander geschil- of vraagpunt.
4.17.
Gerekwestreerden worden vervolgens in de gelegenheid gesteld om (uitsluitend!) op het door [verzoekster] ingediende aangepaste verzoek schriftelijk te reageren.
4.18.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat [verzoekster] uiterlijk op 22 december 2025 een aangepast verzoek als bedoeld onder rechtsoverweging 4.16 kan indienen, en dat gerekwestreerden daarop uiterlijk op 19 januari 2026 schriftelijk mogen reageren;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025. [6]

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 72.
2.Vgl. A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2025:753, r.o. 4.49.
3.Hoge Raad 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas).
4.Vgl. Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem).
5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 49.
6.type: 1554