In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 25 november 2025, in de zaak met nummer 22/5518, gaat het om verzoeken van eiseres om handhaving tegen overtredingen op het perceel van de derde-partij en om invordering van eerder opgelegde dwangsommen. Eiseres, die aan de [adres 2] te [plaats] woont, heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp verzocht om handhavend op te treden tegen de derde-partij, die op het perceel [adres 1] te [plaats] een paardenstal heeft gerealiseerd. Eiseres ervaart overlast van de activiteiten van de derde-partij en heeft eerder juridische procedures gevoerd over deze kwestie. Het college heeft de verzoeken van eiseres afgewezen, wat heeft geleid tot deze beroepsprocedure.
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij haar verzoeken om handhaving, omdat de omgevingsvergunning van 23 november 2020 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is herroepen. Dit betekent dat er niet meer kan worden opgetreden tegen de door eiseres gestelde overtredingen van de voorschriften die aan deze omgevingsvergunning waren verbonden. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het college terecht het verzoek om invordering van dwangsommen heeft afgewezen, omdat de derde-partij niet meer was gelast het toegangshek te verlagen. De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard, maar heeft het college wel veroordeeld in de proceskosten van eiseres, die zijn vastgesteld op € 1.360,50, en het griffierecht van € 184,- moet vergoeden.