In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 3 december 2025 wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating behandeld. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3.92 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en voert verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt deze gronden en komt tot de conclusie dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat de minister geen toepassing hoefde te geven aan het Besluit 1/80, omdat eiser niet opnieuw hoeft te worden toegelaten tot Nederland.
Het procesverloop begint met de afwijzing van de aanvraag door de minister op 19 april 2024, gevolgd door de ongegrondverklaring van het bezwaar op 30 september 2024. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat op 14 oktober 2025 is behandeld. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft gesteld dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor eiser, die 38 jaar in Turkije heeft gewoond. Eiser heeft niet aangetoond dat hij vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, en de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft waarom de aanvraag is afgewezen.
De rechtbank wijst ook de beroepsgrond van eiser af dat hij rechten kan ontlenen aan het Turks associatierecht, omdat hij niet heeft aangetoond dat zijn vader drie jaar als werknemer in Nederland heeft gewerkt. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.